Boem-boem-boem

Zo begon het.
ooit.

Boem-boem-boem,
vanuit de verre plantages
weerklonk het
op zoek naar houvast
aan het onbekende

Het is de geboorte van de muziek
die dan
nog helemaal geen muziek
is
het gebonk, het ritme,
heeft geen idee
waarheen te moeten

Alleen maar

Boem-boem-boem
het gedreun,
het gehamer,
& het ritmisch slaan
van bijlen
& slaghamers
op boomstammen als aambeelden
& het gestamp
(op dijken)
& het omploegen
(van het land)
dan weer te droog
(de verzengende zon)
dan weer te drassig
(de tropische regenbui)
dag in dag uit
gaat het
boem-boem-boem
klinkt het
als een alarmbel
‘red ons
verlos ons
sleep ons’
vertelt het ritme

(geen muziek nee,
bij lange na nog niet
dat wil zeggen:
het blauw van de blues is er wel
maar nog niet als muziekgenre,
maar het blauw
ís er!
in al zijn schakeringen)

Het is het gedreun van de verwachting
& van de verlossing
& van de afleiding
& van de vurige hoop:
duivels eruit
de geesten erin

Boem-boem-boem
het gestamp
op de dijken
van Guyana
gaat maar door
& door

Het klinkt nu door
via echo’s
-gedragen door de wind-
over velden,
rivierbedden,
heuvels, hoogvlaktes & savannes,
palmbomen, kapokbomen,
cactussen,
& via welig groeiende wortels & lianen,
moerassen & meren
via elektriciteitspalen,
pleinen, straten & modderige wegen,
over juten hangmatten,
tuintjes, zinken golfplaten & grauwe begraafplaatsen
waar de geesten van de voorvaderen
zich ophouden.
de voorvaderen ja,
die door sjamanen
(namens de nabestaanden)
in angstige dromen
aangeroepen worden
om de demonen
uit een donker verleden
te verdrijven
met zwavel & wierook
& getooide stokken, ratels, bellen
& angstaanjagende mantra’s
de boze geesten die uit zijn
op één ding:
alle verwachtingen
de mond snoeren
& met de grond
gelijkmaken

Het weerklinkt vanuit Guyana
tot in Suriname
waar de echo stilaan de vorm krijgt
van een melodie
zachtjes wiegend
(sleurend op de willekeur van de wind)
& neuriënd nu,
door de spleten van houten krotten
navigerend langs splinters
& nissen
& deurkieren
bereikt het geneurie
& het gedreun
beetje bij beetje
de kerkdeuren
waarachter de Lieve Heer
’s nachts
waarachtig
van Zijn Kruis opkijkt
als Hij
de klappen
& het gedreun
& het geneurie
ondergaat
om die
samen te laten komen
in gezang…

Een almachtig gezang ja!

& zo ontstaat
vanuit de pijn van de hoop
een melodie!
het is de voorbode van de muziek:
ja!
voor het eerst
komen hier
de ziel, het evangelie en het blauw van de blues
bijeen

& het gebeurt!

Kijk maar,
voel maar!

Neuriënde melodieën komen
(op ritme)
tezamen
in dit kerkgebouwtje:
getimmerd
op drassige grond, onvast,
nabij een moeras
waar kikkers, kaaimannen & riviervogels,
slangen, toekans & vogelspinnen
zich ophouden
& zijn het de mieren, termieten, vlinders, boktorren en muggen
die stoppen
met ritselen
& de krekels & sprinkhanen
die stoppen
met tsjirpen
zodra het binnenmondse geneurie
vanuit het godshuis
aanzwelt
& en er
door de hoed dragende bezoekers
nu
bewogen wordt:
wiegend, schuifelend,
met ogen dicht
(omdat open ogen niets zien)
& met armen naar het hemelgewelf
gericht
alwaar fel zonlicht
of slagregens
(altijd een van de twee)
door de spelonken
van het lekkende kerkgebouw
de ongelijke planken van de vloer
weten te bereiken

Eén tropische cycloon
en de Lieve Heer
is,
(bij gebrek aan heipalen & een deugdelijk bouwplan)
gevlogen

& tóch
tóch wordt er nu,
ondanks alle gebreken,
bewogen
& gezongen
vanuit het middenrif
(& niet vanuit de mond, juist niet!)

Monden gaan weifelend open,
de eerste kreten zijn nu hoorbaar
de heer zij geprezen,
schoenzolen met gaten
ondersteunen
de bewegingen & het gezang
alles
altijd:
in harmonie

Boem-boem-boem

het geluid vanuit
het innerlijk klinkt
vastbesloten
&
standvastig genoeg
om zich een weg naar boven
te banen,
om,
(via de ingewanden,
beginnend bij de nieren
dwarsdoor het almaar kloppende hart)
uiteindelijk
bij de strot
uit te komen.

want ‘t geluid
moet eruit!

Geluid van de pijn
Geluid van saamhorigheid
Geluid van de Heer
Geluid van liefde
& van alle gemiste kansen

& en dan…

DE OERKNAL!

gevolgd door de blikseminslag
die via de tafelberg
de top
van de julianatop
weet te
bereiken

als dan & toen
het Geluid
plotseling
(door een goddelijke ingeving)
muziek wordt!

Muziek ja!

Het gebeurde
vlak na de tropische orkaan
die de kosmos
op zijn grondvesten deed trillen
& die het gedierte
deed vluchten
& de insecten
deed schuilen
& de vegetatie
het hoofd deed buigen

Muziek ja!

Zij begint aanvankelijk
(als de storm is gaan liggen)
in kleine
moeilijke
broeierige
ruimtes
waar de tocht,
onkruid,
hitte,
stank,
zweet,
& ongedierte
vrij spel hebben

Maar algauw vecht de muziek
zich
(krioelend)
een weg naar buiten
& zwelt ze aan

& komt ze buiten aan

waarmee bedoeld wordt:
het binnen van het buiten
dus het binnen
van de duizenden huisjes
& kantines (met stapels wachtende afwas),
hotels (met onopgemaakte bedden),
motels (met haperende neonverlichting),
kantoortjes (met zwiepende ventilatoren),
benzinestations (met gebroken ramen),
winkeltjes (met eenarmige kassa’s),
fabriekshallen (met betonnen wanden die geen tegengeluid dulden, althans dat dáchten de wanden in eerste instantie, maar muziek is even krachtig, ongrijpbaar & doordringend als lucht, als water),
bushaltes (met gehavende bankjes),
perrons (met de voorbijtrekkende locomotief die, zelfs díe, niet boven het geluid van de muziek uitkomt)
&
treinstations (met mensenmassa’s die in stilte luisteren naar wat gaat komen)

dáár voltrekt het wonder zich!

de mens zingt nu
uit volle borst (& borsten)
mee
op ritme & melodie
& begeleidt men zichzelf
in achtertuinen
waar de fles zelfgemaakte rum
van hand tot hand gaat
& wilde kippen haastig wegstuiven
& het hanengevecht wordt gestaakt
& het dominobord terzijde wordt gelegd
& gelachen (zeg maar gerust geschaterd) wordt
& waar nu
ritme wordt gemaakt
ritme ja!

ritme op en met
van alles:
stokjes, zakjes rijst, kammetjes, rietjes,
messen, vorken, lepels,
keukenraspen,
wasborden,
doorgeroeste zagen, hamers, vijlen,
ze tikken, strelen, slaan, ritselen
(later, pas decennia later,
zouden deze voorhanden zijnde voorwerpen,
-door toedoen van de witte industrie,
gekleed in krijtpak & stropdas,
gedekt door een uitgekiend
marketingplan-
tamboerijnen, triangels, ratels & cabasa’s,
cajons, maraka’s, djembés & bongo’s
worden)
op
kartonnen dozen, houten kratten,
lege bierflesjes,
gebutste blikjes,
omgedraaide kisten

& op het olievat (van de shell)
wiens deksel wordt weggebrand
& die wordt geboend,
gehamerd,
gevijld,
opgepoetst,
& vervolgens op klank & toonhoogte
wordt geprepareerd

want uiteindelijk omarmt muziek
alles
wat bereid is
muziek te willen zijn

& het olievat laat de mens niet alleen zingen
maar nu ook dansen
met de heupen
heen & weer
& op & neer
met klakkende hakken
van mannen
met zweetplekken
op ruggen van hun
dun katoenen blazertjes
& vrouwen
opgemaakt, aangekleed,
(swingend zingend)
ronde heupen, volle billen, overrompelende borsten,
& schachten als kraters
tegen de mannen schurend
kussend,
zoenend,
met zweet & speeksel
totdat de muziek
uiteindelijk
de versleten fauteuil
met doorgezakte kussens
in het thuis van thuis
heeft bereikt
waar wild
de liefde wordt
bedreven
omdat liefde
zonder muziek
niet bestaat
&
vice versa

& toch gaat ergens,
in de slagschaduw
van deze muzikale blijdschap,
een niet te onderschatten
pijn schuil.

Is het
de pijn
van de vernedering?
hoe het ook zij:
het is de pijn
die er er alleen via muziek
(het liefst opzwepend
& dansbaar)
uit
kan
& moet

maar dan slaat de muziek op hol,
& ontspoort ze,
(omdat muziek hoort te ontsporen)
komt thuis,
en vlucht weer,
gaat op reis,
zonder bestemming,
(de muziek ziet wel),
op zoek naar de houvast,
zoals het ooit begon
& steeds weer
móet beginnen

De muziek verhuist
& verplaatst zich
uiteindelijk
van de klamme katoenvelden
van Suriname
naar Nederland,
waar zij,
(de zwarte medemens dus)
met muziek als enige bagage
uiteindelijk
schoorvoetend voet
aan land
zet
op zoek naar beter
(zoals gerechtigheid in één woord samengevat kan worden)

Nederland dus!
het land van de hoempapa
waar bij voorkeur
in polonaisevorm
gedanst wordt,
het land van roggebrood,
witlof,
pantoffels,
stukje zoetzuur,
kampeerstoelen,
instapmodellen,
zegeltjes tellen,
kleurloze bloemkool,
geurloze griesmeel,
weggooibordjes,
eierdopjes,
bubbeltjesplastic,
regenpakken,
komozakken,
verjaardagskalenders aan wc wanden
& stijve gewrichten,
& stramme ledematen
die zich (het hele jaar) als de herfst gedragen
kijk ze dan vliegen
bij de stoelendans
die,
(zoals bekend)
symbool staat
voor het leven in het Westen:
opgestaan plaatsje vergaan
(ik was hier eerder hahaha,
jij bent af!)
Nederland dus
waar zorgvuldig getelde
& mathematisch afgemeten
blokjes kaas
worden voorzien
van driekleurige vlaggetjes
met elk
een amsterdams uitje

het land waar niet de muziek
maar voetbal
heilig is,
waar papaja’s
spruitjes
worden
& waar de rijst
wordt ingewisseld
voor kruimige afgeprijsde bintjes
waar ingeblikt
voedsel
(veilig opgeborgen in houten kasten)
in alle rust wacht
op onraad
dat er maar niet komt
& waar het olievat
(die van de shell)
wordt gebruikt
voor de opslag van olie
(waar het olievat in de kern
voor bedoeld is)
in het land Nederland
waar pragmatisme
over alles & iedereen
heerst

& door dat land
waar alles (schouderophalend) is wat het is,
zonder metaforen
(& zonder al teveel fantasie)
loopt hij dus,
de zwarte mens,
langs de kaarsrecht aangelegde grachtjes
met hun kunstmatig verlichte hangbruggetjes,
langs de statige herenhuizen
met de hoge plafonds
& kroonluchters als kroonjuwelen
waar eeuwen geleden
geduldig de ochtendkrant werd gelezen
waar sigaar & pijp
werd gerookt
& waar (met een smetteloos geweten)
kapitalen werden verdiend
met suiker, koffie, cacao & katoen
& goud & bauxiet:
koloniale stoffen uit koloniale grond
veelal over de rug
van de zwarte medemens
(de gewezen slaaf)
die nu,
trots & vol goede moed
& bewapend
met zijn zorgvuldig omgewerkte olievat,
zijn schamele geluk
komt
beproeven

& en als een oude onverslijtbare schroef
draaien zij zichzelf
langzaam, maar zelfbewust,
vast
in het nieuwe land

& ook hier
zingen zij!
Ja!
want ook hier
kunnen zij niet anders
dan het olievat
om te toveren
tot muziekinstrument
waar de tweelingbroer vervolgens,
(decennia later)
in de naam van de vader, de zoon & de heilige geest
& ter meerdere glorie van zijn meezingende zusters
(& de tandeloze tante met de gouden strot
in het moederland)
de ukelele
(die daar in de hoek)
pakt
om
I’m every woman
van chaka khan te spelen
dat zijn tweelingzus
feilloos
& met dichtgeknepen ogen
meezingt

Magie dus ja

Want overal waar muziek is
komen zij thuis

 

 

Voor B. en A.

 

 

N.a.v. de documentaire De Kinderen van de Emmastraat

 

 

 

Kan een afbeelding zijn van tekst

 

 

 

-

Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.