1 juni 2020


Vijfde beklimming, Alpe d’HuZes 2016.

Na bocht 7 begint het te regenen en gaat het licht langzaam bij mij uit. Bas en Dikkie (die eigenlijk Martijn heet) fietsen één meter voor me. Twee meter. Acht meter. Dertien meter.
Dikkie fietst voor Bas.

Bas is zijn rug geworden. Mooi, slank, afgetraind. De Tour wacht op niemand. De rug van Bas ook niet.

De wind en ijsregen trekken langzaam door mijn kleding. Ik bibber. Ik word niet meer warm. Nooit meer.

‘Ach God kijk hem’, hoor ik een vrouw zeggen tegen haar buurvrouw als ik passeer. Haar kartonnen handklapper is doorweekt geworden. Ze draagt een witte poncho.

Ik ben een fietsende ijslolly geworden. Mijn benen zijn van iemand anders. Niets bestaat. Ik ben demontabel. Ik trainde dit jaar het hardst van allemaal, maar ik weet dat ik de Heilige Zes weer niet ga halen.

Vlak voordat ik van mijn fiets dreig te vallen word ik na de finish opgevangen door Anita en Gerard Zwartkruis van de Rabo. Mijn vader aait over mijn ijskoude hand. Hij mompelt iets. Ik huil.

Ik zit in een stoel. Sylvia Maaskant geeft mij poffertjes. En soep. Ik krijg mijn kaken niet van elkaar. Ik huil en ril. Ik ben een marionet, een mummie, een pispaal, een bevroren hondendrol, een kroket in het vriesvak van de Jumbo.

Ik zal de bron van leedvermaak zijn.

‘Hij is onderkoeld’, hoor ik iemand zeggen.

Op de foto staar ik naar de afgrond die mijn lichaam en geest die dag verkenden.

 

-