Post Scrotum:
MAFJE is het acrostichon voor ons gezin Marco, Anita, Fabienne, Jeremy en Estelle. 

 

Deel 1 – Marco’s Berg

IMG_2483 (Small)

‘De Mietjeskant’. Zo noemen ze deze kant van de beklimming, vanuit Sault. “Wel de mooiste”, zo leerden we tevens van wat ervaringsdeskundigen. Dit is mijn eerste Ventoux vanuit Sault.

Er zit nog wat stress en ergernis in het systeem van de heenreis. We hadden besloten de fietsen in de auto te pakken omdat we afstand camping naar Sault, dik veertig kilometer, iets te gortig vonden. ‘We’ is in feite Anita dus ik stemde maar in. Ze moet al zo veel opofferen ten bate van mijn wielrenpassie dus je speelt met vuur als je ook deze wens doordrukt.

Gisteren haalden we de achterbak leeg, klapten we twee stoelen van de achterbank en legden we onze racefietsen heel voorzichtig op elkaar in de auto. Als mannetje en vrouwtje. Om te paren.
Op de derde overgebleven stoel zou Jeremy zitten met op de grond, tussen zijn benen in, een opgevouwen Fabienne. In de achterbak, naast de fietsen, (“ja spannend!”) zou Estelle zitten en liggen. Bij het eventueel passeren van een gendarme zou Fabienne zich schuilen onder het trainingsjack van haar moeder en Estelle onder een derde deken dat haar moest beschermen tegen de olie van de derailleur van Jeremy’s fiets.

Op de camping voor vertrek maakten we een selfie en fotografeerden andere kampeergasten ons van buitenaf. Het zag er allemaal niet uit. MAFJE on Tour…

De meiden werden onderweg wagenziek waardoor zij niet konden meegenieten van de prachtige Vallée de Toulourenc die we doorkruisten. Met veel gevoel voor drama kondigde ik iedere spectaculair uitzicht aan, want deze weg had ik al regelmatig gefietst. Ook met Jeremy die nog enkele keren moest stoppen om tijdens de beklimming zich haast over te geven over te geven.

Dat irriteerde me. Niet zozeer dat ze niet mee konden genieten (hun schuld, of eigenlijk hun moeders schuld, had ik immers gewoon gefietst hadden zij ruimer gezeten en hadden zij van het uitzicht kunnen genieten), maar meer omdat ze autoziek waren. Ik kan slecht tegen ziek, zwak en misselijk. Het moet vooral vooruit zonder al te veel geouwehoer. Dat kan er een voor Mon Plateau zijn.

In Sault waren we nog niet aangekomen of een naargeestig onweer barstte los. We waren  veroordeeld tot de auto. Na een kwartiertje sfeer proeven was het zover. We vertrokken.

“Hier een Powerbar. Geloof je erin?”

Jeremy ontving de Powerbar waar een verhaal aan kleefde, maar dat verklapte ik hem niet. Dat kwam nog, dat wist Joseph Parrigots zeker.

Jeremy was nerveus. Ik dacht vreemd genoeg aan niets. Dat wil zeggen, niet aan De Berg. Ik dacht aan Mon Plateau, het dienblad in de caravan. Als ‘running gag’ noemde ik Mon Plateau Mon Plato, mijn zogenaamd favoriete filosoof. Het is deze vakantie een plezier van jewelste geworden om de grootst mogelijke clichés toe te dichten aan #MonPlateau. Zoals “Het moet vooral vooruit zonder al te veel geouwehoer”.

Ouwehoeren doet-ie niet, die schoonzoon van me. Hij knokt. De Mietjeskant? Eén keer vloekte hij. Godzijdank. Mister Perfect kan ook vloeken.

“Tering berg.”

Da’s er ook eentje. Voor #MonPlateau.

De focus is compleet, volmaakt en homogeen. Het is vandaag 4 augustus 2015. Een bijzondere datum. Vandaag wordt Tante Pierrette zeventig jaar. Haar man, René Carpier, overleed rond de jaarwisseling.

Op dit moment van de klim zit de Franse tak van de familie bijeen. Zonder dat zij het weten, weet ik: deze beklimming is voor de familie en voor Tante Pie en Ome René in het bijzonder.


 

Deel 2 – Anita’s Berg

IMG_2458 (Small)

Even zo vaak hij de Berg beklom, even zo vaak beklom ik hem met de auto. Hij is mijn man, Marco. Maar ik mag hem in het openbaar niet ‘mijn man’ noemen, want dan voelt hij zich een ouwe lul en dat vindt-ie zichzelf niet. Nog niet.

In 2008 voor het eerst. Twee keer. Eén keer vanuit Bédoin, één keer  vanuit Malaucène. In 2013 één keer vanuit Bédoin. We herdachten Lex met champagne aan de top. Hij Leeft Nog. En eerder deze vakantie weer een keer vanuit Bédoin.

Ik begin de berg aardig te kennen. Ik weet de bochtjes waarin in mijn auto kan parkeren en ik laat me niet van de wijs of weg brengen door lokale motoren uit Frankrijk of zotten uit België die de Mont Ventoux vooral zien als raceparcours.

Hij dwingt me in deze rol. Nee, beter is: ik laat me deze rol opdringen. Het gebeurt gewoon. Hij leeft met zoveel geldingsdrang dat ik wel mee moet. God weet hoe moe ik vaak ben van zijn sportieve en creatieve uitspattingen. Maar hij kon niet zonder. En gaandeweg kan ik niet meer zonder.

Ik vul bidons en zorg voor de muziek. In de grotere bidon wil mijnheer alleen water, in de kleinere water aangelengd met Isostar (alleen citroensmaak, van de sinaasappelsmaak wordt zijn maag weeïg) en ik weet in de loop der jaren precies welke mix hij wil. Twee schepjes in een halve bidon, drie in hele. Ik ben gek dat ik dit steeds weer doe. Ik zal gek op hem zijn.

De muziek is niet zo heel moeilijk. Afspeellijst Bruce Uit Je Bol op de iPod. Van die liedjes waar Bruce gehakt van je maakt. Ik kan ze wel duizend keer horen, ze vervelen me nooit. Als ik thuis Bruce draai en mijn ogen dichtdoe, dan zie ik Mar klimmen. Die dwaas met zijn blinde verlangen steeds weer omhóóg te willen. Liefst per fiets.

Daar komen ze! Om de bocht. Ik wist precies waar ik mijn auto moest parkeren. De bidon voor Jer ligt klaar. Dak open. Portieren op. Bruce. Candy’s Room. Ik dans. In de verte zie ik ze aankomen. Mar met zijn gekromde rug. En achter hem Jeremy. Die beul van een vent die steeds kleiner wordt op zijn fiets. Zijn lijden heeft iets vertederends.

Ik gil iets. Ik weet niet wat. Ik weet niet eens of ze het horen. Ik raap de bidon op die Jeremy naar me gooide. Op naar de volgende bocht.

“Tering berg”, hoorde ik hem vloeken bij het passeren.

Ze zijn gefinisht. Ik heb het gemist want ik kon de auto niet parkeren. En ik moest de rugzak nog checken. Of alles erin zat. Wat repen. Water. Isostar. Een handdoek. En windjackjes. Tegen de venijnige wind.

Het geeft niet. Het is hun moment. Ik zie Fabienne in de armen van Jeremy. Estelle fotografeert haar vader. Ik denk aan mijn vader. Aan mijn moeder. Daar is deze berg voor gemaakt. Dat had Mar geschreven en, eerlijk is eerlijk, daar zit wat in.

“Hoe ging het?”

Ik geef hem een kus. Het zit er weer op. Zonder tweede viool geen eerste, denk ik altijd maar.

Ik droom wel eens. Van een zonvakantie. Zo’n all-inclusive. In Turkije of zo. God weet hoe gelukkig ik ben als ik weet dat het slechts dromen zijn.


 

Deel 3 – Fabienne’s Berg

20150804_141243 (Small)

Kotsmisselijk stap ik de auto uit in Sault maar ik zeg niets. Hoe stiller mijn pa wordt, hoe rustiger ik mezelf moet houden. Hij haat misselijkheid en ziekte. Hij kan moeilijk omgaan met zwakte.

Mijn moeder loopt weer te stressen. Controleert de rugzakken voor de honderdste keer. Nog een reep. Nog een bidon.

In het antiek winkeltje irriteerde mijn vader zich weer aan mijn moeder omdat zij niet inging op zijn wens om enkele stokoude exemplaren van Miroir du Cyclisme aan te schaffen: vergeelde wielermagazines uit de jaren vijftig. Haar “wat moet je ermee” was een dodelijke voltreffer in het gemoed van mijn vader. En ze hebben alle twee gelijk. Het zijn prachtige tijdschriften waaraan de nostalgie kleeft, maar inderdaad…wat heb je eraan? Mijn pa is het gaspedaal, mijn ma de rem. Es en ik zijn de richtingaanwijzers.

Stressen vlak voor de beklimming van de Mont Ventoux om enkele wielermagazines. Zo enorm mijn ouders. To know, know, know them, is to love, love, love them. Amy Winehouse zong het gisteravond nog.

Ik ben gespannen. Dit wordt Jeremy’s eerste Col. Hij heeft niet goed getraind. Hij heeft niet goed genoeg getraind. Hij heeft eigenlijk niet echt getraind.

“We kijken wel hoe het gaat”, zei-ie nog een paar dagen geleden.

Hij is zo anders dan mijn vader. Zo relaxed. Als het niet gaat, gaat het niet. Mijn vader is bezeten van wielrennen. Verslindt wielerboeken. Hij bereidt zich tot in de puntjes voor. Laat niets aan het toeval over. Accepteert geen falen. Houdt van pijn. Ik mocht vroeger tijdens een intensieve korfbalwedstijd of –training ook nooit klagen over pijntjes. Doorgaan.

Daar komen ze! Daar!

Bruce zingt Thunder Road. Een beetje ons nummer. Wilde verliefdheid. Jonge mensen. Op weg naar het onbeminde onbekende dat me vaak zo onzeker maakt. Gelukkig is Jer cool. Retecool.

Ach kijk hem zwoegen. Die fietst dadelijk nooit meer. Mijn vader schreeuwt hem naar boven. Mama heeft de auto geparkeerd. Jeremy stond haast stil en moest stoppen zo-even. Ik ren terug. Met Es. Heeft hij overgegeven?

Nee hij eet een reep. Dat zal die reep zijn die pap hem met nogal veel tamtam overhandigde in Sault. Vlak voor vertrek. Hij rijdt weer. Ik duw hem in de rug.

“Kom op Jer! Nog eventjes!”

Mijn stem breekt. Het aangezicht is te veel. Mijn pa met in zijn wiel Jeremy. Mijn Jeremy.

“Tering berg”, vloekt Jeremy.

“Gaan jullie maar! Ik parkeer de auto wel ergens!”, schreeuwt mam.

Ik ren met Es naar de vuurtoren.

“Daar komen ze!”, schreeuwt Es die haar schreeuwende vader probeert te overtreffen.

Tientallen mensen draaien zich om en beginnen spontaan te klappen als twee Spookrijdende fietsers voorbij trekken: een schreeuwende blanke (“niet opgeven nu Jer, mijn wiel pakken, alles eruit nu godverdomme!”) en een gigant van een neger die alleen maar brult van de pijn….”aaaaah!”.

Hij is er. In mijn armen nu. Voor altijd.



 

Deel 4 – Jeremy’s Berg

IMG_2557 (Small)

Ik moet goed naar hem luisteren.

Rustig ademhalen.

Neus in, mond uit.

Ik moet genieten.

Van de lavendellucht.

Ik mag niet te hard.

Ik mag geen zwaar verzet.

Ik mag nog niet duwen en trekken.

Dat komt nog.

Het gaat lekker.

“Vijf procent!”, zegt hij.

Ik weet niet goed hoe ik hem moet noemen. Mar klinkt te vrijpostig. Marco noemt niemand hem in onze contreien. Pa is helemaal geen optie. Ik noem hem dus ‘friend’. Want dat is-ie. En hij kan fietsen.

Ik moet naar hem luisteren.

Voorzichtig drinken.

Kleine slokjes.

Niet misselijk worden.

Ik kan dit goed hebben. Het is allemaal nieuw voor me. Ik basketbalde op hoog niveau. Ik leek geen talent maar toen ik ging groeien werd ik steeds beter. En sterker. Ome Ro reed me overal heen. Naar alle trainingen en uitwedstrijden. Ook hij gaf me tips. Maar hier is geen Ome Ro. Hier is alleen die idiote schoonvader van me met zijn drie vrouwen die om de zoveel bochten ons opwachten met vers water, aanmoedigingen en Bruce-muziek.

Al anderhalve week lang cirkelen we om deze berg heen. Hij verschijnt overal. Vanaf de autoroute. Vanuit het pauselijk paleis in Avignon. Vanaf het terrasje in Carpentras en vanuit vrijwel ieder perspectief fietsend in deze omgeving. Samen met ‘my friend’, naar wie ik moet luisteren.

Genieten.

Blijven draaien.

Vier procent.

Chalet Reynard, da’s het kantelpunt.

Daar wordt het serieus.

En daar zijn we nu. Het schijnt een wereldberoemd oord te zijn. Een restaurant of hotel of zo. Mijn ‘friend’ lulde er wat omheen toen ik ernaar vroeg. Zoals-ie wel vaker doet als-ie het niet weet. Ik denk aan het boek De Renner van Tim Krabbé dat ik in één adem uitlas. Ik sloeg enkele afwasbeurten over. Dat zal ik nog wel te horen krijgen. Maar door het boek kreeg de passie voor het fietsen steeds meer vorm, diepte en inhoud.

Wielrenners zijn allemaal een beetje gek.

Zei ik dat zelf? Of mijn ‘friend’? Of schreef Tim Krabbé het?

Ik had net nog de controle. Ik volgde zijn wiel maar hij rijdt zo van me weg. Ik voel mijn krachten niet meer. Er zit vla in mijn dijen. Vla. En puree. Vla, puree en yoghurt. Ik moet kotsen. Ik ga braken. En breken. Ik fiets nooit meer. Er groeit hier niets. Het is koud, kaal en winderig. Hoe omschrijft Krabbé leegte? Hoe bezingt Alex leegte? Wielrenners zijn gek. Het is hier eng. De film Ventoux vond ik een klote film. Ik herkende niets van vriendschap zoals ik die beleef. Met Ben. Hidde. Arno. Tim. Ik wil dunks maken. En lay-ups. Ik wil hen toeschreeuwen vanaf de bank. Defense! (klap-klap) Defense! (klap-klap).

Ik wil dit niet.

“Tering berg.”

In mijn handen houd ik een powerbar. Ook weer iets bijzonders van Fabienne’s vader, die ik net nog ‘friend’ noemde. Hij was naar de Tour de France gaan kijken in de geboortestreek van zijn moeder. Bij het passeren van het peloton voelde hij iets hards tegen zijn knie geworpen. Een powerbar. Een renner had deze als ballast vlak voor de naderende finish in Amiens weggegooid.

“Welke renner?”, had ik nog gevraagd, maar hij reageerde half. Zoals hij wel vaker kan doen als-ie in gedachten zit.

“Van Joseph Parrigots, een Onbekende Renner”, antwoordde hij pas een paar dagen geleden cryptisch.

Ik dacht eerst dat Joseph Parrigots echt bestond. Hij is een volslagen idioot, Fabienne’s vader. Hij verzon de half-Nederlandse, half-Franse coureur Joseph Parrigots en ging er in geloven. Hij kwam tot leven in zijn fantasie en hij had zichzelf aangeleerd dat fantasie belangrijker is dan kennis. Daar heb ik wat aan als ik zit te blokken voor mijn HBO-studie Bouwkunde.

Maar hij heeft gelijk. Hij heeft het vaker gehad over de krankzinnigheid die je kan overvallen als je een berg op fietst.

Het gebrek aan controle maakt ruimte vrij voor verse onsamenhangende gedachten die veel weg hebben van hallucinaties. Ik voel contact met een onbekende die mij vertrouwd overkomt. Precies op het moment dat ik alles los wil laten, voel ik een kracht in me opkomen die ik nooit eerder in mijn leven ervoer. Een soort windje mee op commando. God was het niet, hij was het. Hem moet ik trots maken. Nu.

En ineens voel ik het. Ik ga het halen. Godverdomme, ik ga de top halen.

Daar staat Estelle al. In die allerlaatste bocht naar twaalf procent. Twaalf procent! Ze zijn gek geworden. Es schreeuwt. Mar schreeuwt.

“Kom op nou! Alles eruit! Alles! Pak mijn wiel!”

Een bus toeristen passeer ik. Ze klappen. Voor mij.

Ik heb de top gehaald. Mijn hoofd ligt in de handen van Joseph Parrigots die mij naar boven toe schreeuwde. Hij kust me. Zijn oudste dochter houdt me vast. Fabienne.

De leegte was slechts van korte duur, het gebrek aan leegte voor eeuwig.


 

Deel 5 – Estelle’s Berg

IMG_2223 (Small)

“Pap, ik zou wel een website www.aanmoedigen.nl willen beginnen of zo. Dat mensen Fa en mij kunnen inhuren als ze aangemoedigd willen worden. Snap je?”

Volgens mij begreep pap me wel. Hij slikte, zei aan de Alpe-d’HuZes te denken. We hebben net getankt in Vaison la Romaine. Ik vind dat fijne momenten, zo effies samen met mijn vader. Ze noemen het ‘quality time’ maar dat vinden wij van #Monplateau klef Amsterdams gelul.

Hij zei onlangs nog hoezeer hij van me genoot deze vakantie.

“Waarom?” vroeg ik hem.

“Je was zo introvert de laatste tijd”, zei hij.

Hij had gelijk. Op school maak ik een stennis voor tien. Daar moet ik thuis de tol voor betalen. Dan ben ik kapot. En heb ik huiswerk te doen. En mijn pianolessen. En mijn korfbaltrainingen. Ze verdienen mijn klote bui niet maar hey. Ik ben ook maar een mens. Ik ben zestien en mijn zelfvertrouwen komt en gaat met de zon.

Maar ik heb mijn energie weer terug. Een paar dagen geleden beklom mijn pa al de Mont Ventoux. Het was niet alleen voor hem een bevrijding. Ook voor mij. Ik ging helemaal los. Met mijn kop door het open dak schreeuwde ik mijn pa omhoog. In zijn fanatisme herken ik een hoop van mijn eigen gedrevenheid. Bovendien hebben we beiden een olifantengeheugen, had ook hij sproetjes, houden we alle twee van pindakaas en heel de vakantie bestoken we elkaar met flauwe #Monplateau uitspraken die alleen wij grappig vinden.

En nu schreeuwen we ook Jer omhoog.

“Tering berg!”, hoor ik mijn zwager vloeken die ik nog nooit eerder had horen vloeken. Dat maakt de Mont Ventoux in een mens los: het allerbeste, het allerslechtste en het allerechtste. In ieder geval echter dan de ongeloofwaardige film Ventoux die zich onder andere afspeelt op onze camping Les Trois Rivières, lang leve het toeval.
Iedere keer als mijn vader daalt dan schreeuw ik Peter!, met zo’n hete rijkelui’s “r” uit het Gooi. Net als in de film. Maar in doodsangst verlies je alles. Dus ook die aangeleerde “r”. Daar zijn wij Rotterdammers van overtuigd. Wij eten geen honing uit een potje. Wij kauwen op bijen.

Pap vindt dat Martin van Waardenberg de film had moeten maken.

Gisteren heb ik nog heerlijk een uurtje met Jeremy gebadmintond. Ik had hem laten zweten. Ik zag huisvrouwen vanuit hun voortent stiekem staren naar zijn perfecte lichaam, glimmend van de transpiratie. Fabienne hielp mam met het eten klaar maken. Pap bereidde de klim voor. Hij bleef maar zijn mobieltje staren met daarop een foto van het profiel van de berg.

En nu fietsen ze hier. Op de Mont Ventoux die ze in de film af en toe de ‘Ventumus’ noemen. Pretentieus Amsterdams noemt pap het. Hij associeert de Ventoux met boeren, scheten, vloeken en andersoortig gevlei met de duivel.

“Kom op pap! Lekker Jerry! Woe-oe-oe!!”

Jer heeft me zijn Samsung uitgelegd. Hoe ik hem en pap kan filmen. En foto’s kan maken en zo. Fabienne maakt foto’s met haar eigen camera. Bij iedere stop van mam spreken we af wie waar staat.

Daar! Daar komen ze!

Ik moet haast huilen. Mijn zwoegende pa die Jeremy naar boven schreeuwt. In een flits denk ik aan Opa Hendriks thuis. Op zijn schoot rust een fotoalbum. Oma bakt tosti’s.

Arme Jeremy. Hij kent onze wielertraditie niet. Al die verhalen die mijn pa over fietsen vertelt. Die urenlange zit voor de TV waarbij we onze renners in de Tour naar boven schreeuwen, pap foeterend op de TV-commentatoren van de NOS die hij steeds te vlug af is, wat ik geen prestatie vind omdat ze slaapverwekkend traag en saai zijn.

Het heeft iets aandoenlijks, die enorme beul van een vent die op zijn racefiets vlak voor de finish weer een kind wordt. Hij moet het halen. Het moet! Alle waarheid ligt verankerd in het woord ‘moet’. Zonder ‘moet’ is er geen leven. Ik heb een lat nodig. Een lat. Ik wil springen.

En hij is er. Met mijn pap. Ik ren achter hem aan. Ik ren en schreeuw.

“Kom op Jerry! Kom op jongen! Je bent er bijna! Bijna!”

Pas later zie ik de verbaasde gezichten van de omstanders. Zie ik het lachende gezicht van de buschauffeur. Zie ik pap die Jeremy omhelst. Ze knuffelen. Fa fotografeert. Ik fotografeer. Film. Knuffel ook.

Daar is ook mam. Met haar rugzak.

We zijn compleet. Ja. Zo voelen wij ons hier op 1.912 meter hoogte, op de top van de Mont Ventoux: compleet.


 

Het filmpje dat Estelle maakte op Jeremy’s mobieltje en dat Fabienne monteerde:

 

 

-