Kanttekening van de auteur:

Voor de muziekdocumentaire ‘Springsteen & I’ konden fans verhalen inzenden. Dit verhaal haalde de film niet.

 

***

Het moet door die vrouw gekomen zijn. Nou ja vrouw. Huid en lappen stof hielden haar botjes als een verzameling sprokkelhout bijeen.

Ik gaf haar wat rupees. Niet uit medelijden. Nee nee. Meer om van haar af te zijn. Ik deed het zelfs met wat tegenzin. Ik dacht aan onze boekhouding, een Pavlov-reactie: hoe kon ik een gift zonder bonnetje bij de accountant verantwoorden?

Bedelaarster

Nadat ze de muntjes veilig had weggestopt, pakte ze mijn handen vast en gilde ze. Schel en onvast. Als een valse kat. Iets met Allah. En waarschijnlijk dat-ie groot was en zo. Uit haar verhemelte ontsproot een etterende putlucht. Eén half afgebroken tand was het laatste wapenfeit van haar strijd tegen het verrottingsproces in haar mond.

Voor haar dankbaarheid moest ik al snel de tol betalen.

Dezelfde handen, zojuist seconden lang aanbeden als die van een prins door de kermende bedelaarster, díe handen dus, veegden niet lang daarna het zweet en stof van mijn gezicht. Dat volgde weer kort na het schrikmoment, in het kantoor van mijn klant, recht tegenover zijn bureau, toen ik een kakkerlak van het puntje van mijn schoen wilde afslaan. En daarmee was het leed geschied.

Dan kan je nog wel zo consequent je tanden poetsen met water uit een gebottelde fles, als je dit soort fouten maakt is het vragen om problemen.

 

Zo. Voor de zekerheid twee extra onderbroeken van pa bij me. Niemand die het ziet. Op naar Ahoy’. Geen jetlag of bacteriële infectie die me van een Springsteenconcert weerhoudt.

 

En de problemen kwamen al snel. In het idiote stadsverkeer van Karachi. Buiten was het tegen de vijfenveertig graden Celsius. Geen kant kon ik op. Auto’s. Bussen. Tuk-tuks. Kamelen. Honden. Fietsen. Brommertjes. Voetgangers. Het krioelde allemaal kriskras door elkaar. En overal woestijnstof in de duivelse hitte.

En waarom, God waarom? Waarom toeterde iedereen voortdurend?


 

En jij. Gekromd op de achterbank van de auto. Zo hemel verziekend beroerd dat je immuun werd voor de werking van de airco. Je maag. Borrelend. Wachtend op de volgende verkrampende pijnscheut. Als een zwangere vrouw hield je je buik vast. Biddend dat het ergste van de wee geweest was. Maar er volgden er steeds meer. Steeds frequenter.

Je hield het niet meer. De chauffeur moest stoppen aan de rand van een stadspark. Deur open en meteen die confrontatie met de buitenlucht. Rotte eieren. Dood water. Rottend vlees. En dat lekker laten pruttelen. Dat is Karachi: één grote pan ontbindende soep.

Toch ademde je bewust door je neus in. Omdat je jezelf verplichtte de lucht te herinneren. Om het thuis te kunnen beschrijven.

 

Die geur zit nog altijd in je neus. Een paar dagen later. Hier in Ahoy’. Bruce komt haast op. Je zit hier helemaal alleen. Fabienne, negen jaar, haar debuut, zit in een ander vak. Met haar moeder, oom en tante. Jouw kaartje kocht je ergens last minute op Markplaats. De spanning voor het concert. Bruce helemaal alleen. Net als jij nu. Alweer soulmates dus. Dit is zijn akoestische Devils & Dust Tour. De lichten gaan uit. Gejoel. Gefluit. De stilte. De gitzwarte zaal en de summiere verlichting op het podium. Rotte eieren. Dood water. Rottend vlees. Pruttelen. En je maag. Van waaruit je sinds je bezoek aan Karachi alleen nog maar duivelse erwtensoep poept.

 

DSCF1989

Je plaste met ingehouden buik tegen de stenen wand van het stadspark. Je urine had de kleur van ranja. Het luchtte niets op. Uit je binnenste liet je, beheerst en gecontroleerd, een droge Pernis-achtige gasbel ontsnappen maar de penetrante stank was niet merkbaar anders dan de gemiddelde lucht waaraan een inwoner van Karachi dagelijks wordt bloot gesteld. Het potje cricket werd niet onderbroken. Enkele Pakistani sliepen onverstoorbaar door. Als dieren lagen zij in het stof onder een boom die onvoldoende schaduw bood.

 

 bruce-springsteen2

Daar stond hij. De held. De voorganger. In alles. Hoe je toen dacht, nu denkt, ooit zal denken. Ook al maak je iedereen (inclusief jezelf) wijs dat jouw gedachten onafhankelijk, zuiver en uniek zijn. Wat een gelul. Wij zijn onze keuzes, sprak Sartre. Hier houdt de discussie over de vrije wil wat mij betreft op. Ik koos voor Bruce en daarna werd ik zijn buikspreekpop.

Bruce sjokt naar de microfoon en houdt zijn gitaar vast als een hakbijl. En hakken gaat-ie, Bruce. We liggen al een tijdje smekend klaar. Met onze koppen op het hakblok. Normaal gesproken vraag je je bij een Springsteenconcert af of hart en hoofd het zullen houden.

Maar ik heb deze zondagavond een extra handicap: mijn darmen. Houden zij het?

Het is piepstil in Ahoy’. Zelfs Bruce’s adem hoor je. Als een hijgende wielrenner die je maar niet kunt lossen. Ik mag geen wind laten. Dodelijk hier. Qua stank en geluid. Je gaat er de krant mee halen.

 

“Are you OK now?”, vroeg de chauffeur naar de bekende weg. Mijn gezicht was lijkbleek. Ik had ’t zelf gezien. In zijn binnenspiegel had ik mijn eigen dood in de ogen gekeken.

Hij woonde in het sjiekste deel van Karachi, die klant van me, the Clifton Cantonment. Vlak voor de poort naar zijn compound begroette de bewaker met Kalashnikov ons met een afdoend knikje. Het leek op scène uit een B-film. Niet eens zozeer vanwege de Kalashnikov, eerder door het lachwekkende Jan Blaaser montuur van de zonnebril van de bewaker.

Het hekwerk kraakte tergend langzaam open als een protesterende accordeon.

 


Trap op. Naar zijn penthouse. Hij schepte net nog op. Over het uitzicht over Karachi vanaf zijn met palmen gedecoreerde dakterras. Interesseert me geen reet, dacht je nog. Flikker die deur maar gewoon open voordat ik de achterbank van je auto onder schijt.

Daar stond-ie. Die klant van me. Te schreeuwen tegen een dichte deur. Aan de andere kant van de dichte deur hoorde ik een vrouw antwoorden. Haar stem klonk breekbaar. Binnen ging een deur dicht, pas daarna ging buiten de deur open.

“JESUS CHRIST, GOOD HEAVENS WHERE THE FUCKING HELL IS THE TOILET??!!”, schreeuwde ik eenmaal binnen. Veiligheidshalve koos ik in de verwensing voor onze eigen profeet.

In blinde paniek kegelde ik zijn dochter, die direct achter de deur met een schaaltje zelf gemaakte koekjes stond, omver. Het kletterende geluid deed de vrouw achter de gesloten deur schreeuwen.

(Het bleek, allemaal achteraf natuurlijk, zijn echtgenote die bij onze entree ternauwernood weggemoffeld werd omdat, na goed Islamitisch gebruik, de vrouw geen openbaar contact zal hebben met de tegengestelde sekse. Alsof ik…nou ja laat maar.)

 

Het is Vaderdag, deze 19e juni 2005. En hij zette ons zojuist af bij Ahoy’, mijn pa. Ik had zijn ondergoed, als een soort bommenriem, om mijn middel geplakt. Achter en voor.

En Bruce zou Bruce niet zijn als hij niet zou stilstaan bij Vaderdag. Hij verhaalt ontspannen over de gespannen relatie met zijn vader. Maar de familiaire spanningen uit het verleden van Bruce zijn maar relatief in vergelijking met de helse druk die zich intern bij mij aan het ontwikkelen is.

In de grimas van Bruce tijdens My Father´s House herkende ik zo-even het zorgelijke gezicht van de receptioniste van het IJsselland Ziekenhuis. Waarom trok ze zo’n vies gezicht toen ik haar het potje met mijn ontlasting overhandigde? Waar duidde dat op? Toen de Norit eenmaal was uitgewerkt, leek het inderdaad erwtensoep, zo moest ik instemmen met Fabienne en Estelle toen zij zich waagden aan een omschrijving van die slijmerige substantie in het plastic potje waar toch eerst de elastiekjes in hadden gezeten voor als ze moesten turnen?

Door deze overpeinzingen mis ik de impact van de eerste liedjes.

Sst. Hier zingt hij. Long Time Coming. Over zijn functioneren als vader. Niet langer als zoon. Net als ik. Soulmates, Bruce en ik. Alleen zit ík gewapend met twee extra onderbroeken te vechten tegen een aanval uit mijn digestieve systeem.

Jezus….Bruce staat nu náást de microfoon, ìn Ahoy’! Hij zingt a capella! Het publiek eet uit zijn handen. Bruce is baas. Je kunt een speld horen vallen. Angstzweet. Overal. Bij Bruce’s soulmate dan. Want hij voelt het….hij begint weer weeën te krijgen.

https://youtu.be/h5a_-iBGnz8

 

Ha! Hahahaha! Oh jaaaaa…..

Oh die heerlijke opluchting. In dat hagelwitte toilet met spiegelende tegels en vergulde kranen, voorzien van een propellor aan het plafond. Hahaha. Je bent het kwijt! Geprezen zij de Heer, die eeuwig leeft, die vol ontferming ieder troost en alle schuld vergeeft. Je hebt het zonder kleerscheuren overleefd. Hahaha. Wat heerlijk….de Sultan heeft ontlast…

Maar de ontlasting was, even letterlijk als figuurlijk, van korte duur. Want het eerstvolgende moment ontdekte je met de broek op de enkels dat er geen toiletpapier was in de sanitaire ruimte die zich qua omvang liet vergelijken met jullie huiskamer inclusief keuken. Felle paniek. Het bloed zocht zich een onnatuurlijke weg naar boven. Geen toiletpapier. Links. Rechts. Boven. Onder. Niets. Wel een pot vol gruweldaden. En een bidet. Een bidet waar je billen boven plaatste. Met de douchekop spoelde je met lauw water je billen schoon. Met “A Man Needs A Maid” van Neil Young in je kop. Ja. Nu. Een Maid. Eentje die je billen afveegt. En je tranen. Van ellende. Want je zat alweer in de huiskamer. Met een kletsnatte reet omdat je die kraakwitte handdoek niet durfde te pakken. En dus moesten je sokken het ontgelden. Maar omdat blote enkels, vanwege het gevaar op malaria, gevaarlijk zijn in Pakistan, trok je de natte sokken weer aan. En zo belandde je daar, ongemakkelijk in die veel te lage bankkussens, met een natte reet en natte sokken tegenover drie de kinderen van de klant die hun lach amper konden inhouden. Prima.

“Take this”.

Uit een smoezelige glazen pot haalde de klant een lepel met een zandachtige substantie. In mijn mond. Stof. Malen. Malen. Nog niet slikken. Rustig mengen met je speeksel. Niet op de smaak letten. Niet kotsen nu.

“Good for stomach”.

Het was als zand. Het plakte aan de voor- en achterkant van mijn je tanden. Je kreeg het niet weg. Het was stof. Duivelse stof.

 

Bruce wast zijn handen in onschuld. Tuurlijk. Die is zich weer eens van geen kwaad bewust.

Weet hij veel.

Dat dát gebeurt waar die ene fan, met kaartnummer 62 gezeten op vak A1 rij 20 stoel 44, juist zo bang voor was, precies toen Bruce zong:

 

“The smell began to rise

(…)

There’s just devils and dust”

 

Hij die in toeval gelooft heeft boter op het hoofd.

Maar aan deze wijsheid had de voorbuurman, gezeten op rij 19 stoel 44, geen boodschap toen hij zich met opgetrokken neus omdraaide en met een gezicht vol ingehouden woede en walging siste…

“…gad-ver-re-dam-me…”

 

 

 

 

 

-