Vrijdag 18 december 2015

Het zou best wel eens zo kunnen zijn dat een taxichauffeur de afspiegeling van de samenleving is. Met die gedachte speel ik als de taxichauffeur Serge Mars, een geboren Haïtiaan, zijn bolide door de straten van Queens rijdt. Hij spreekt Frans met me en ervaart dit als een vanzelfsprekendheid.

Even vanzelfsprekend is het voor Serge Mars dat Serge Mars de “le meilleur chauffeur de taxi de New York” is. Op zijn tablet toont hij me de chaotische verkeerssituatie (“une catastrophe monsieur”) op de Interstate 278.
Om die reden verkiest Serge Mars richting het noorden te rijden om dan oostwaarts óm het tennispark Flushing Meadows heen te rijden – uiteindelijk zal die weg leiden naar de minder bekende Queensboro Bridge die stadsdeel Queens met Manhattan verbindt.

“Vous voyez monsieur? C’est pour ça que je suis le meilleur!”.

Op geen manier bedoelt hij dit arrogant of overdreven. Hij méént het.

“Le meilleur? Vous êtes le King!”

Serge Mars lacht uitbundig. Eén tand is verkleurd.

“Oui oui haha, le King oui, c’est moi…”

Het buitensporig bevestigen van iemands talent. Dat heb ik van Lex geleerd.

Een taxichauffeur zou de afspiegeling van de samenleving kunnen zijn. In de vroege ochtend bracht een busje van een taxibedrijf ons naar Schiphol. De chauffeur sprak accentloos hetgeen ik vooral in Rotterdam verdacht vind. Halverwege de rit, zo bij Leidschendam, begon hij een uitvoerig betoog over zijn reiservaringen in Dublin. Het verhaal had geen clou.
Pas bij aankomst op Schiphol viel het me op dat hij niet alleen accentloos maar ook intonatieloos sprak, alsof we een uur lang naar de verkeersinformatie van de ANWB hadden geluisterd. Het verschil met de swingende Serge Mars kon niet groter zijn.

Nadat we verbazingwekkend snel door de New Yorkse douane heen waren en we onze koffers van de band hadden gehaald, stonden we voor enkele ogenblikken stil in de immense hal van JFK Airport.
Voor mij wel en geen nieuwe ervaring. Het vliegveld van JFK is mij inmiddels bekend, maar het is een noviteit zonder de aanwezigheid van een vloekende Lex (“kut-rij, kut-drukte, kut-yankees, kut-koffers, kut-buitenlanders, kut-taxi’s”). God hebbe zijn vloek.

Ik stond nog altijd te dubben over het antwoord op de vraag van onze wijsneus Estelle (“pap, John F. Kennedy is in 1963 doodgeschoten, dus hoe heette het vliegveld eigenlijk vóór zijn dood?”) toen Serge Mars op me af kwam lopen.

“Vous cherchez un taxi pour cinq ou six personnes?”

“Niet doen hoor”, siste Anita in mijn oor, “we pakken gewoon een officiële Yellow Cab. Ik vertrouw dit niet.”

Ik had me in het gezin al wekenlang als dé New Yorker geprofileerd en bovendien is mijn feitelijke beroep wereldreiziger, dus was ik, alleen ik, dé persoon bij uitstek om de inschatting bona- of malafide te kunnen maken.

Om mijn autonomie te doen gelden besloot ik voor Serge te kiezen.

“Hij knipoogde…zag je dat?”, fluisterde Anita in mijn oor toen op de parkeerplaats van JFK een gekleurde man met een platte pet en zonnebril Serge Mars tegemoetkwam.

Bozig, want overtuigd van haar gelijk, liet Anita mijn hand los.

“Komt goed schatje…komt goed.”

In mijn verbeelding zag ik de taxi na een half uurtje afslaan naar een donker industrieterrein op Staten Island waar wij in een verlaten pakhuis zouden worden beroofd en waar Jeremy en ik anaal zouden worden genomen door een gay gang.

Het eerste kwartier zat ik met dichtgeknepen billen in de taxi van Serge Mars.

De eerste aanblik op Manhattan was weinig spectaculair voor mijn gezinsgenoten, omdat Serge Mars zoals gezegd had gekozen voor de Queensboro Bridge en niet voor de Brooklynbridge of de Manhattan Bridge die, vanuit toeristisch oogpunt, beslist de voorkeur genieten.

Eenmaal op de 60th Avenue van Manhattan aangekomen strandde ook de aanvankelijk zo goed gehumeurde Serge Mars al snel in een stroperige file waarbij Serge Mars het niet naliet om iedere andere chauffeur dan Serge Mars de schuld te geven van de ontstane file.

“Il ne sait pas de rouler monsieur. Vous voyez ce con là monsieur…c’est…ce n’est pas sérieux monsieur…”

“Oui je vois.”

Ik had al bij vertrek van JFK Airport besloten geen enkele discussie aan te gaan met Serge Mars.

Ik keek over mijn schouder. Estelle zat te appen met een vriendinnetje van korfbal. Fabienne had een reepje raam geopend – de eerste tekenen van wagenziekte. Anita’s ogen werden steeds kleiner. Jeremy glimlachte zijn inmiddels bekende glimlach die doorgaans een voorbode is voor een power nap, zoals hij dat zelf noemt. Door de speakers klonk Mariah Carey’s megahit “All I Want For Christmas”. Ik had een directe associatie met de Hollandse taxichauffeur van vanochtend: toen hetzelfde nummer werd gedraaid hield hij een niet bepaald vlammende exposé over nut en noodzaak van kerstliedjes op de radio.

Voor de deur van Hotel Belleclaire, op de hoek van 77th Street en Broadway, in de Upper West Side van Manhattan, liet Serge Mars zijn taxi onbeheerd achter voor een korte stop.

“Quand la police vient, il faut gagner du temps pour moi. C’est interdit de stationner ici”, zei hij op een samenzweerderige toon, alsof ik lid was van zijn Haïtiaanse bende uit Long Island waarvan in mijn verbeelding Serge Mars de rechterhand was van de gangleider Hector Raoul die als ‘Le Voyou’ door het leven ging.

Ik verzin dergelijke filmscenario’s zo snel en zo angstaanjagend realistisch, dat ik mijn eigen leven geloof.

“Wat zegt-ie Mar?”

Aniet vertrouwde Serge Mars nog altijd niet helemaal.

“Dat-ie moet pissen, en dat ik ondertussen op zijn taxi mag passen”, zei ik niet zonder trots.

Die rol bevalt me wel, bondgenoot zijn van de bende van Le Voyou. Ik heb zelfs al een toepasselijke bijnaam voor mezelf bedacht….ik ga de komende vijf dagen als ‘le Canard’ door het New Yorkse leven. Die kan me in de Franse metaalhandel ook nog wel eens van pas komen.

Alles klopt. Het straatleven van Manhattan dient als decor voor mijn speelfilm, zoals ik per slot van rekening mijn leven ervaar. Je hoeft er niets voor te doen. Alleen maar te lopen. De New Yorkers zorgen voor het tempo, de figuranten, de taxi’s, de ambulances, de gebouwen, de straatmuziek, de razende metro’s, de dampende rookwolken uit de straatputten, de dansende medewerkers van de Salvation Army, de kerstmarkten, de open lucht schaatsbanen, de gekte, de sirenes, de geur van gepofte kastanjes en marshmallows, de daklozen, de straatverkopers, de puissant rijken (shoppend in bontjas op Nikes), de gejaagden, de billboards, de geldkloppers, de verwaarloosden, de ranzigheid, de omarming.

We zijn er nog maar net maar New York heeft ons al ingesloten. Taxichauffeur Serge Mars bracht ons naar de poorten van de stad, opende haar deuren en gooide de sleutels weg.

We kunnen geen kant meer op.

 

[Klik op de afbeelding voor een vergroting]


(Fotografie Fabienne – Estelle – Jeremy – Marco)

 

https://youtu.be/3GdLQbmmU8Y

 

 

 

-