Lees hier deel 1 van het Tweeluik Bergen Goud, getiteld Goud!, geschreven vanuit het perspectief van de wereldkampioen zelve.

In deel 2 Kippenvel  is te lezen hoe haar directe familie en betrokken fans haar wereldtitel hebben beleefd.

 

***

Voor Chantal

 

Woensdag 27 september 2017, 13:06u (Huize Blaak-Van den  Broek ter voorbereiding op de officiële huldiging van Chantal in het gemeentehuis van Lansingerland)

 

‘Marina, doe jij even open?’, horen we Chantal Blaak vanuit haar slaapkamer naar beneden roepen. Haar zus (geen zusje, zo corrigeert ze ons meteen, ze is immers al 17, pardon 17-en-half) Marina doet open terwijl zij zich beleefd aan mij en Mevrouw de Spookrijdert voorstelt.

Binnen ruikt het naar bloemen.

Losse ballonnen liggen verspreid over de vloer. Ik heb van kinds af aan al een panische angst voor ballonnen. Die fobie stamt uit de tijd van de kinderpartijtjes waarbij sadistische moeders ballonnen om je enkels vastbonden die zo snel mogelijk kapot moesten worden getrapt. Ik fiets nog liever op volle snelheid door de onverlichte tunnel op de Gavia.

Het is stil. Er staat zelfs geen muziek op. In een slecht verhaal zouden we spreken van de stilte voor de storm, maar dit is het huis van de Wereldkampioen Wielrennen Elite Vrouwen 2017 en dus spreken we liever van de Prelude Voor De Mistral.

Haar levenspartner Lars is eventjes de hort op en ook Marina blijkt spoorslags vertrokken waardoor ik en Mevrouw de Spookrijdert voor een moment het huis van de kersverse wereldkampioene voor ons alleen hebben.

‘Ik plak even mijn schaafwonden af!’, roept Chantal naar beneden alsof ze onze verbazing over de onverwachte Prelude voor de Mistral aanvoelt, ‘…zo klaar!’

‘Kalmpies an!’, roep ik in het trappengat.

Op de keukentafel ligt haar regenboogtrui met haar gouden plak. Ik streel over het reliëf van de medaille. De ruwe door duizenden afwasbeurten aangetaste handen van Mevrouw de Spookrijdert betasten de witte stof van de regenboogtrui. Ze is op zoek naar de restanten van de druppeltjes bloed van haar valpartij. ‘Hier…hier zit haar geronnen bloed’, zegt ze zacht alsof ze bang is iemand wakker te maken.

De huiselijke rust geeft me de gelegenheid om terug te gaan naar mijn zaterdag 23 september.

Ik lag halverwege die middag uitgeteld voor de beeldbuis (de fietsweek in Italië met een groep Rotterdamse ondernemers had er genadeloos ingehakt, niet in de laatste plaats vanwege het schrikbarend late tijdstip dat ik die nacht in zwaar benevelde toestand naar bed was gegaan, gevolgd door een schoonheidsslaapje dat welgeteld 64 minuten duurde, abrupt afgebroken door de wekker van de beul, het te korte ontbijt waarvan ik me alleen nog een ruzie met het koffiezetapparaat en de uitgeslapen gezichten-in-uitlachmodus van mijn fietsvrienden kan herinneren, de busreis naar het vliegveld van Verona waarbij ik de herstelslaap niet kon vatten vanwege een te luid en langdurig gesprek tussen twee fietsvrienden over de toekomst van de Rotterdamse haven, het langdurige inchecken, het kopje koffie dat ik in volmaakte stilte aan de tafel met Michael Boogerd en Maarten den Bakker genoot, de vliegreis naar Schiphol, de autorit naar Rotterdam, het uitgeput thuiskomen terwijl het nog gewoon 12 uur moest worden) toen ik werd opgeschrikt door het commentaar van Herbert Dijkstra (“VALPARTIJ BLAAK!”) gevolgd door een korte felle schreeuw mijnerzijds (“AAAAH!”) omdat op datzelfde moment Mevrouw de Spookrijdert op een afstand van 20 centimeter van mijn gezicht klaar stond met een bakje vers fruit dat zij bijna uit haar handen liet vallen vanwege mijn AAAAH!

We keken samen in een shocktoestand naar onze gevallen heldin. Alsof we televisiebeelden van een oorlogsgebied volgden waarbij we live moesten toezien hoe een familielid was aangeschoten. (Alsof mijn eigen kleinkind viel, zou mijn geëmotioneerde moeder mij na afloop van de koers appen).

‘GODVERREDOMME, HET ZAL TOCH NIET!’, riep ik in hoofdletters, gevolgd door een ‘NEE!’ uit de mond van Mevrouw de Spookrijdert die kort daarna melding maakte van een stekende hoofdpijn. ‘Pest sport’, siste zij in de keuken terwijl zij een aspirinetablet in een glas water liet oplossen.

 

                -Dingdong-

 

‘Eh…Chantal…er wordt gebeld!’, roep ik in het trappengat.

Mevrouw de Spookrijdert, uitvinder van het multitasken (nog lang voordat de vrouwentak van de FNV er sier mee maakte) doet de deur open, ontvangt namens Chantal de zoveelste bos bloemen en begroet en passant enkele gasten, waaronder de ouders van Lars die zelf ook binnenkomt, bellend, zijn mobiel tussen schouder en kin klemmend (vluchtige handdruk, glimlach, knipoog en kus voor Mevrouw de Spookrijdert). Hij is een BN-er geworden sinds zijn optreden bij Ziggo en RTL Late Night eergisteren.
Hij heeft een goede kop, heet dat. Het was tekenend dat Humberto Tan Lars aanzienlijk minder airplay gaf dan Jack van Gelder in diens programma op de vroege avond. Ik heb het vermoeden dat Humberto geen concurrerend mannelijk schoon om zich heen duldt. Dat gevaar liep Humberto niet met een lilliputterskoppel dat in dezelfde uitzending te gast was als onze Chantal. Als ze maar niet de slappe lach krijgt, dacht ik nog.

“CHANTAL GEVALLEN!’, appte ik Lars om zes minuten voor vier.

Lars appte GVD die ik beantwoordde met een GVD. Dit konden we wel eens een tijdje volhouden. Ik keek op TV naar de gehavende schouder van zijn levensgezellin. Het had een beetje de kleur van…

“KAK!”, appte hij. En dat klopte. Die kleur had haar rechterschouder inderdaad aangenomen.

Een minuut later appte ik hem dat Chantal nog altijd niet op de fiets zat. Hij reageerde niet. Dochter Estelle probeerde me uit te leggen hoe ik via FaceTime met Lars kon bellen zodat hij de koers zou kunnen volgen (een ingewikkelde uitleg volgde over selfie-stand en niet-selfie-stand), maar hoe hard Estelle ook schreeuwde, ik bleef mijn eigen bleke waterhoofd levensgroot op het schermpje van mijn iPhone zien. Ik zag geen Lars, hij geen TV-beelden.

“HEB WEER BEREIK”, appte hij om klokslag vier uur.

“OP KARAKTER NU”, sloot hij de app-sessie af.

Dit kon slaan op hemzelf (in zijn eentje 1.150 kilometer overbruggen na een weekje zonder enige vorm van serieuze slaap), op mij (met een hardnekkige Elite Kopgroep in een weekje tijd de volledige drankvoorraad van Hotel Brescia in Darfo Boario Terme soldaat gemaakt) of op Chantal zelf (door de valpartij in kansloze positie geraakt voor de eindoverwinning).

 

-Dingdong-

 

Consternatie alom als de vader van Chantal binnenkomt – hij pak draagt een pak hetgeen een unicum schijnt te zijn. In de keuken maakt hij met een lachend gezicht een korte pirouette met de handpalmen naar boven gericht om applaus in ontvangst te nemen.

Chantal en ik proberen de koers nog een keertje minutieus te reconstrueren. Lars heeft op de smart-TV een Best-Of lijstje van Coldplay opgezet. Coldplay is bepaald niet mijn kopje thee, maar dit is niet het moment om de muzieksmaak van de oververmoeide Lars eens nader onder de loep te nemen. Het nummer Don’t Panic staat op. Analoog aan dit lied vertelt Chantal dat ze na haar val niet in paniek raakte, hoe ze terugkeerde in het peloton en hoe zij kort daarna had besloten te demarreren. Een krankzinnig plan dat alleen uit het brein van een genie kan komen.

‘Kan toch helemaal niet, ik bedoel hoe kan je n….’

 

-Dingdong-

 

Al heeft geen van ons feitelijk gezien iets gepresteerd dat ook maar in de buurt komt van de buitenaardse prestatie van Chantal, toch feliciteert iedereen iedereen, al was het maar omdat iedereen met iedereen het gouden gevoel wil delen. Volgens Aristoteles heb je maar een klein beetje geluk nodig om gelukkig te worden.

Chantal begroet de gasten, geeft ze een stoel in de keuken en probeert haar verhaal te vervolgen, maar wordt alweer door iets of iemand weggeroepen.

Alles draait om Chantal die me enkele dagen geleden door de telefoon had gezegd het gevoel had geleefd te worden. Ik probeerde in haar hoofd te kruipen, hoorde hoe krampachtig ze probeerde het besef van het ‘nu’ bij te keel te grijpen, ik probeerde haar te zeggen dat dat haar niet zou gaan lukken. We zijn immers met teveel. De pers, familie en vrienden zoemen al dagen als horzels om haar heen. Iedereen wil iets. ’t Liefst nu meteen.
Het besef de állerbeste van de hele wereld te zijn, zal ze pas over enkele dagen kunnen begroeten als alle bloemen zijn verdord en de ballonnen en slingers zijn opgeruimd. Dan klopt het besef onaangekondigd op haar deur. Ze zal de deur openen, ze zal het besef een stoel geven om aan de keukentafel plaats te nemen en tenslotte zal zij, gezeten op de stoel naast het besef, de tijd nemen om eens flink uit te huilen. Pas daarna is er ruimte voor trots, zij het de bescheiden variant. Zoals het haar geleerd is. Op de boerderij in Zuidland.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om een stuk appeltaart (van Dudok, God bestáát) in recordtempo naar binnen te proppen, als Chantals zus Nelleke mij komt begroeten. We kennen elkaar, omhelzen elkaar, kussen elkaar. Mijn vierde op mijn Franse wortels gestoelde zoen landt in het luchtledige.

‘Wat doe jij nou?’, vraagt Nelleke als ze verbaasd naar mijn getuite lippen naast haar wang kijkt.

‘Waar waren we gebleven, Marco?’, vraagt Chantal die, zonder mijn antwoord af te wachten, ondertussen naar boven schiet om wat luchtigers (‘ik heb het bloedheet, wacht effe, zo terug’) aan te trekken.

‘Na je val!’, schreeuw ik in het trappengat, ‘dus daarna!’

‘Chantal! Wat je favoriete liedje is!’, vraagt Lars in hetzelfde trappengat, ‘voor de huldiging dadelijk!’

De chaos is redelijk volmaakt en voor een Spookrijder dus bijzonder prettig.

‘Geen idee!’, antwoordt Chantal door het trappengat dat vandaag dienst doet als spreekbuis tussen de Wereldkampioene Wielrennen Elite Vrouwen 2017 en ons, gewone stervelingen.

‘Heb jij geen favoriet liedje?’, vraagt Mevrouw de Spookrijdert in het trappengat met een gezicht alsof ze een bonbon met een teleurstellende smaak in haar mond heeft.

Ik begrijp haar verbazing. Ze is getrouwd met een muziekmaniak die zelden bloemen voor haar koopt (“te duur”) maar dit compenseert door regelmatig een afspeellijst voor haar te maken die steeds uit 25 liedjes bestaat. “Een muzikaal bossie bloemen”, noemt hij ze. Ze zijn inmiddels bij afspeellijst 218 beland. Dat zijn 5.450 liedjes. Zonder doublures. Daar is hij tamelijk zorgvuldig in. Zeg maar op het neurotische af.

‘Mar, Chantal heeft geen favoriet liedje’, fluistert Mevrouw de Spookrijdert in mijn oor op een toon alsof het een zeldzame geestelijke afwijking betreft.

Ook broer Arjan is bij ons komen zitten. Arjan houdt de Nederlandse vlag vast waar in het witte vak GO BLAAKIE geschreven staat. Dezelfde vlag haalde zaterdag de wereldpers.

‘Vertel eens zus en broer….wat gebeurde er allemaal jongstleden zaterdag?’

Nelleke pauzeert even – door de herinnering aan het optreden van haar zus schiet ze al meteen vol. Arjan doorziet het en voert het woord:

‘Toen Chantal gevallen was, klokten we de tijd tussen het moment van haar val en het moment dat ze weer op haar fiets zat. Toen ze eenmaal, tussen de auto’s laverend, was teruggekeerd gaven we elkaar een High Five. Mensen om ons heen hadden door dat wij familie waren. Ze begonnen meteen te klappen. Heel mooi was dat….Kippenvel ja….’

Arjan, Nelleke, moeder Arina en neef Marvin volgden de koers deels via een livestream op hun mobieltjes en deels via de grote schermen die langs het parcours geposteerd stonden. De dag was nog zo vredig begonnen. Ze hadden ’s ochtends vroeg een berg te voet beklommen die een prachtig uitzicht gaf over de stad Bergen. Ze gingen met andere supporters en een paar wilde bokken op de foto. Ze werden er zelfs een beetje melig van. Zeer goed voor te stellen. In de top 10 van Meest Vertederende Onnozel Ogende Dieren volgt na de ezel direct de bok.

‘Alsof er geen WK verreden hoefde te worden hahaha’, zegt Arjan. Zijn ogen glimmen van de napret die toen nog voorpret was. Arjan lijkt me zo’n broer met wie het prima bier drinken is. Prompt krijg ik dorst.

‘Toen Chantal eenmaal solo weg was, hield ik het niet meer’, vult Nelleke aan. Ze heeft zich herpakt. ‘Ik rende in mijn eentje naar de finish toe. Ik wilde perse dat ze me zou horen. Zou zien. Ik kwam tot 300 meter. “Chantal is my sister, can I please pass?”, had ik wel honderd gevraagd. Dat mocht. Die Noren zijn zó vriendelijk…’

Ze slikt.

Ik geloof het best. Dat ze naar voren mocht lopen. Nelleke heeft de ogen van Chantal. Ogen die vriendelijk dwingen. Ogen die ertoe doen. Ogen die het verschil maken.

‘Ik kón niet meer’, zegt Arjan starend naar de salontafel waarheen de regenboogtrui is verhuisd…’die laatste kilometers….zó spannend…’

Toen Lars me in de cruciale fase van de koers had aangegeven dat hij geen internetbundels meer kon bijkopen, had Estelle zelf FaceTime voor me ingericht zodat Lars vanuit zijn vrachtwagentje de koers kon volgen.

Het was surrealistisch: de ontsnapping van Chantal zelf en de manier waarop Lars de ontsnapping van de eeuw van zijn vriendin moest volgen. De verbinding viel weg, herstelde zich, viel weer weg. Ik ging appen. SMS-en. Minuut voor minuut. Mevrouw de Spookrijdert ging staan. Zitten. Staan. We zetten het geluid van Herbert Dijkstra harder, een unicum op zich omdat hij normaliter het gevecht met mijn muzikale bossies bloemen verliest.

Het moge de overspannenheid in onze huiskamer illustreren.

“BLAAK GAAT!”, aptte ik Lars om twee minuten over vijf.

“ZIE JE”, antwoordde hij tamelijk nuchter en zonder vraagteken. Het was dan ook meer een statement dan een vraag. ’s Morgens had hij Chantal nog gesproken. Ze lag nog in bed. “Wie wint er?”, had Lars gevraagd. “Ikzelf hahaha”, had Chantal de vraag lachend weggewimpeld. Daarna had ze het raam van kamer 111 geopend en een havik in de lucht zien cirkelen.

‘Hallo?’, vraagt Chantal die ineens weer naast me blijkt te zitten, ‘ben je er nog?’

‘Ja nee natuurlijk’, antwoord ik verstrooid terwijl mijn ogen als een razende over mijn aantekeningen schieten. Heb ik iets gemist? Hoe lang zit ze al naast me?

‘Sorry Chantal….je laatste kilometers….vertel maar snel….we moeten zo naar je huldiging toe….we mogen wethouder Hekking niet laten wachten…’

Ik appte Lars de voorsprong van Chantal kilometer voor kilometer. Toen ik zag dat de vinkjes van mijn appjes maar niet blauw wilden worden schreeuwde ik naar Estelle ‘BEL HEM! BEL HEM! WE BELLEN HEM!’

Een Poolse renster zette de achtervolging in. Van woede liep ik paars aan. Ik was gaan staan. Ik was ziedend op de Poolse: hoe kón het bestaan dat zij ook wereldkampioene wilde worden? Bovendien wist ik zeker welk beroep haar moeder uitoefende.

‘Heeft u ook zo gevloekt, mevrouw?’

‘Nee…vloeken?… waarom zou ik?’, antwoordt de oma van Chantal met een verlegen lachje.

Ik probeerde haar met een speelse vraag in het gesprek te betrekken, maar ze wuift meteen alle aandacht weg.

‘Hoe heeft u de koers beleefd?’, vraag ik haar iets te hard.

‘Gewoon, voor de televisie’, antwoordt ze afgemeten met een wat sceptische blik, ‘bent u van de krant?’

‘Nee nee! Hahaha…ik journalist…. God verhoedde het…. hahaha maar vertelt u eens…uw kleindochter wereldkampioen zeg….u volgt alle koersen?’

‘Ja mijnheer. En de tijden van de tijdritten houd ik altijd bij in een schriftje.’

In de ploegentijdrit kwam Boels-Dolmans, de ploeg van Chantal, vorig weekend twaalf seconden tekort voor de eindoverwinning. Het werd zilver. De teleurstelling daarover uitte Chantal met een appje dat aan duidelijkheid niets te wensen overliet: hierover geen Halte!

Sinds onze samenwerking -zij op de fiets, ik met de pen- meer vorm begon te krijgen en Chantal steeds meer begon te wennen aan haar metaforische rol als Hoge Snelheidstrein die van Station Blaak vertrok, waarbij iedere koers een apart station zou verbeelden, praten Chantal en ik niet langer over verhalen maar over Haltes.

Dezelfde zilveren medaille bungelt momenteel wat troosteloos aan een kandelaar die op het randje van de open haard staat. Persoonlijk kan ik zomaar 73 mensen opnoemen die ik met liefde zou vermoorden voor een zilveren plak. Ik moet het nochtans doen met twee bronzen plakken, deze zomer behaald tijdens twee rondes in onze mooie stad in de B-klasse Zondagrijders.

Lars kregen we tijdens de finale niet meer te pakken.

(Een kwartier na de koers krijg ik Lars aan de telefoon. We zijn het huilen voorbij. We zijn leeg en kapot. ‘Boogie heeft me door de laatste kilometers getrokken Mar….we huilden aan de telefoon…ik ben zó ver-schrík-kelijk trots op haar….zó blij….ik eh…’. Grote mannen huilen bij voorkeur niet in elkaars bijzijn. In plaats daarvan beklimmen ze bergen op een racefiets en delen ze vunzige filmpjes over de WhatsApp).

Nog een paar honderd meter.

‘DOE HET! DOE HET! DOE HET!’, schreeuwde ik. Ik kreeg mijn rechter knie niet langer onder controle. Oud-renster Kim van Dijk meldde zich via FaceTime.
‘Spannend he Marco?’
‘Ik schijt haast in mijn broek lieve schat.’
Ik keek rechtstreeks in haar prachtige Bambi-ogen, zij keek naar mijn bleke waterhoofd waarin holle drankogen om slaap smeekten. Ik zocht lichamelijk contact met Mevrouw de Spookrijdert die resoluut mijn arm wegsloeg.

‘TE HEET! OPVLIEGERS!’, riep ze met een afkeurend gezicht.

Ondertussen keek ik naar het verbeten gezicht van Chantal dat op huilen leek te staan. Ze was op de vlucht. Voor wie? Wat had ze misdaan? Ik schreeuwde haar naar voren. Soms liep mijn stem vast. Overmand en overvrouwd door emoties. Ik had zo intens met haar te doen. Ze had verdomme ons bruidsmeisje kunnen zijn. Had zij gehuild tijdens haar vlucht?

‘Ik? Huilen? Op de fiets? Nooit!’, zegt Chantal nu, ‘ik moest gewoon door de pijn heen trappen. Doorduwen. Alles vergeten. Iedereen vergeten…’

Daar gingen haar armen omhoog. Toen sloeg ze haar handen voor haar ogen. Herbert Dijkstra was in extase. Kippenvel. Ik huilde. Liet het snot lopen. Schreeuwde. Omhelsde de huilende en paars aangelopen Mevrouw de Spookrijdert. Met een dansje en een gezamenlijke brul die drie straten verder gehoord moet zijn geweest, sloten we de ceremonie in onze bescheiden woning op vierhoog af.
Hoe vol ik ook was van haar overwinning, toch voelde ik vooral leegte. Alsof ik een kindje op de wereld had gezet dat meteen de couveuse in moest. Intens blij met leven op afstand.

‘We moeten gaan’, zegt Chantal terwijl ze op haar horloge kijkt.

Iedereen maakt zich gereed. Ik gooi mijn aantekeningenboek dicht. Het woordje TROTS (in vette koeienletters geschreven, omcirkeld en driedubbel onderstreept) is het laatste woord dat ik waarneem. Er staan pijltjes bij naar Arjan en Nelleke.

‘We moeten gaan’ zijn de laatste woorden die de kersverse wereldkampioene uitspreekt voordat ze per fiets naar het gemeentehuis van de gemeente Lansingerland vertrekt. De trotse Gerard Buijing, haar vaste derny van wielervereniging RWC Ahoy’, begeleidt haar. Hij heeft de statige houding aangenomen van een vader die zijn dochter naar het altaar begeleidt. Ook Bo, het jongste zusje van Chantal, fietst met hen mee.

Ik sprak Gerard zo-even in de keuken.

‘Ik ken Chantal al een jaartje of negen. Sinds een jaar of twee, tweeënhalf fietsen we regelmatig samen en train ik haar op de derny. Meestal op de woensdag, op de baan van RWC Ahoy. Het is zo’n wereldmeid joh.’

(Hier had Gerard geslikt en zijn hoofd eventjes afgewend. Het duurde een seconde. Misschien iets korter).

‘Ze deed alles goed zaterdag. Alles. Wat een karakter.’

(Hier had Gerard wederom geslikt. Om het ijs wat te breken maakte ik een grap over de Honde van Halblasserdam waar Gerard ook bij aanwezig was. Hij lachte kort en herpakte zich).

‘Die winst van Chantal….ik ben nog nooit zó intens blij geweest om een sportprestatie, echt niet….ik ben nu 64 Marco en best wel wat meegemaakt…maar dít….’

(Hier had Gerard gezwegen. Ik zag traanvocht dat net niet wist te ontsnappen aan zijn oogbol. In een nieuwe poging om de sfeer wat luchtiger te maken zei ik hem dat ik hem zaterdagavond, na de winst van Chantal, nog had gezien op metrostation Capelse Brug. Of-ie volgende keer zou willen terugzwaaien. Gerard glimlachte wederom zijn fatsoenslachje).

‘Na die valpartij ben ik weggelopen. Ik houd zó veel van de koers en van die meid, dat ik het niet kon aanzien. Wielrennen is de sport van de pijn. Van het niet willen, maar toch doen. Dus bleek het niet-kijken ook geen optie. Ik kon geen kant op. Toen ik de TV weer aanzette was Chantal weg. Echt weg. Ik geloofde mijn ogen niet. Nou je hebt het zelf gezien. Ik kon het van pijn verkrampte gezicht van Chantal amper aanzien. Meissie meissie toch, dacht ik. Toen ze over de finish ging heb ik gehuild. Met mijn vrouw Marja. We hebben samen gehuild ja. En ik schaam me er niks voor…’

(Hier had Gerard voor een vierde keer gepauzeerd. Herpakken, de tweede natuur van een wielrenner, had geen zin. Hij zuchtte. Hij dacht aan de derny, aan al die woensdagen dat Chantal Blaak bij hem in het wiel zat en hem toeschreeuwde “harder Gerard, harder!” en hoe Gerard dan gas gaf en genoot van de snelheid, van de striemende herfstwind in zijn gezicht, van de moed van zijn pupil).

‘Nog één ding wil ik nog wel kwijt Marco…een kwartiertje nadat Chantal over de finish was gekomen, stuurde ik Lars een appje om hem te feliciteren. “Jij ook gefeliciteerd”, had ie geantwoord. Kijk die erkenning…dat is mooi toch?…echt Kippenvel…’

Ik denk aan de foto die Chantal mij appte. Vlak na de finish. Haar ellebogen rustend op het stuur. Haar linkerhand met de rood gelakte nagels op haar helm. Die verpletterende glimlach vol verbazing. En op haar linker bovenarm: haar Kippenvel.

‘Wat ziet ze er mooi uit he’, zegt mevrouw van den Broek, de moeder van Lars, die ik Brigitte mag noemen. Haar echtgenoot mijnheer van den Broek, de vader van Lars, die ik Theo mag noemen, maakt ondertussen een foto met een ouderwetse fotocamera. Hij grijnst van oor tot oor. Zijn mondhoeken krullen als de uiteinden van een grote accolade om zijn camera heen. Toen Chantal in juni Nederlands kampioen werd maakte ik met Theo een vreugdedansje waarvoor we ons later enigszins geneerden. Hij werd meteen weer mijnheer van den Broek – we schraapten onze keel en namen die dag een tikkie formeel afscheid van elkaar. We blijven immers mannen. En Feyenoordfans.

‘Wat ik deed nadat Chantal gewonnen had? Ik begrijp je vraag Marco, maar geloof me…ik weet het niet meer’, antwoordt Chantals moeder Arina. We staan inmiddels bij de lange oprijlaan bij het Gemeentehuis van de gemeente Lansingerland waar Chantal over een klein half uur gehuldigd zal worden. ‘Ik was het eerste half uur na de finish gewoon helemaal de kluts kwijt…’

Het woordje kluts blijft hangen. Waar zou het vandaan komen? Niemand wil het kwijt zijn, toch is het onbekend wat de kluts precies inhoudt. Ik gruwel bij de gedachte dat ook ik eens mijn kluts kwijt zal zijn. Maar dan definitief. Tot dan zal ik moeten blijven schrijven. Schrijven en fietsen. Als een razende. Totdat ik erbij neerval.

Arina begroet enkele dorpsgenoten die vanuit Zuidland met een gehuurde bus naar het gemeentehuis van Lansingerland zijn komen rijden.

Iedereen lacht.
Iedereen wil een stukje van de taart.
Iedereen is wereldkampioen.
Iedereen ziet zijn of haar kleur weerspiegeld in de kleuren van de regenboogtrui.

‘Hallo, ik ben de buurman van de Blaakies…’, zegt de buurman van de Blaakies met vochtige pretoogjes. Hij lijkt op mijn Ome Sjaak.

‘Hij stond deze week huilend aan ons hek’, fluistert Arina terwijl ze naar Ome Sjaak wijst, ‘lief hè?’

Twee heren op leeftijd sluiten zich bij ons aan. Sommigen herkennen mij. ‘Jij bent toch die kerel van dat Verboden In Te Rijden bord? Van die trein van Chantal met die haltes en zo?’

‘Gert van Meurs, aangenaam!’

‘Henk Sanders, hallo!’

Henk fietste nog met Chantal toen zij een jaar of 12 was.

‘Ze fietste met ons mee. Met de Albers Fietsclub. Uit Sland ja. Driehonderd kilometer. Om het IJsselmeer heen. En ze gaf geen krimp hè, onze Blaakie… Gert is de Mazda-dealer van het eiland. Hij reed altijd als begeleider mee. Op de terugweg viel Chantal op de achterbank in de auto van Gert in slaap…’

De ogen van Henk, Nederlands Kampioen Koppelkoers op de baan van 1977 en nog altijd verbazingwekkend fit ogend, glimmen als hij terugdenkt aan die tijd.

Arina kijkt op haar horloge. Nog 10 minuten.

Ik begroet Kees van Sintmaartensdijk die in Zuidland luistert naar de veelzeggende bijnaam Kees Bier. Kees is ontegenzeggelijk de allergrootste fan van Chantal.

‘Kees! Kerel! Gefeliciteerd man!’

Ik omhels hem, maar iets houdt hem tegen. Pas nu valt me met terugwerkende kracht op dat hij ook bij Chantal thuis zo stil was.

‘Kees, alles in orde gozert?’, gooi ik het nog eens over de optimistische boeg.

‘Het WK was de eerste wedstrijd sinds jaren waar ik niet bij was. Dat geloof je toch niet…’

Kees staart over mijn schouder richting Niemandsland.

‘Waar zat je dan in hemelsnaam Kees?’, vraag ik hem onverminderd goed geluimd.

‘Ik ben ziek Marco. Het werd een dag na onze verhuizing geconstateerd. Paar weken terug. Slokdarmkanker.’

Kees slikt.

Sommigen denken dat er niemand woont, in Niemandsland, maar als Alpe d’HuZesser weet ik wel beter. De duivel woont er.

‘Ik had Chantal nog aan de lijn. Ze was natuurlijk ook geschrokken. Op 24 juni wint Chantal het NK, vier dagen later trouw ik Margit, waar Chantal nog bij was. Begin deze maand zijn we verhuisd, krijg ik verdomme dít te horen…’

‘Jezus man….wat zei Chantal?’

‘Je gelooft het niet man. Ik heb Chantal vlak voor het WK nog aan de lijn gehad, zegt ze me “Jezus Kees wat vreselijk…. wat kan ik voor je doen?” Ik zeg tegen d’r “je kan me maar met één ding blij maken Chantal….” Je snapt Marco dat ik het niet droog hield toen ze over de finish kwam…’

Chantal passeert. We schieten confetti in de lucht. We filmen, juichen, maken foto’s, lachen en volgen Chantal richting het podium.

‘En nu Kees?’, vraag ik hem op gedempte toon als burgemeester Sales van Zuidland het heeft over de Chantal van járen geleden, toen zij als jong meisje al een ronde rondom het IJsselmeer van liefst 225 kilometer voltooide en Henk Sanders onmiddellijk op me af komt lopen om deze ernstige fout van de burgermoeder te corrigeren (…‘300! Je moet 300 schrijven in je verhaal….het waren er 300, ze weet niet waar ze het over heeft!’).

‘Volgend jaar ben ik er weer hoor…reken maar dat ik er bij Het Nieuwsblad weer sta…’, antwoordt Kees.

Samen kijken we naar het podium, naar het stralende gezicht van Chantal Blaak, Wereldkampioen Wielrennen op de Weg Elite Vrouwen 2017.

We hebben beiden kippenvel.

 

***

Dank aan de familie van Chantal, haar vrienden en (ex-)dorpsgenoten en Gerard Buijing en Kees van Sintmaartensdijk in het bijzonder voor de openhartigheid en het vertrouwen.

Dank aan Chantal Blaak voor de inspiratie.

 

***

FOTOGALERIJ

[KLIK OP EEN AFBEELDING VOOR EEN VERGROTING]

 


Dank aan Chantal Blaak

Fotocredits Cor Vos
Nelleke Blaak
Arjan Smilde 
Anita Hendriks (Mevrouw de Spookrijdert)
Marco Hendriks

 

FILMGALERIJ

 

 

 

 

 

 

 

-