Toen op dinsdag 14 mei 1940 Duitse bommenwerpers Rotterdam plat bombardeerden was mijn vader precies veertig dagen oud. Tijd om de tweede verjaardag van haar jongste dochter te vieren had zijn moeder niet. Zij hield haar kroost dicht tegen haar borst gedrukt en bad tot de Lieve Heer dat haar gezin gespaard zou blijven.

Op het moment dat mijn grootmoeders gebeden werden verhoord, zag haar schoonzoon, die kennis had met haar oudste dochter, enkele kilometers verder een deel van zijn familie verloren gaan.

Pas in de laatste jaren van zijn leven begon mijn oom op verjaardagen en détail te vertellen waar hij zich op 14 mei 1940 tussen 13.27 uur en 13.40 uur precies bevond (te weten op het toilet dat uiteindelijk zijn redding betekende), toen 90 Duitse Heinkel-bommenwerpers zich ontdeden van hun explosieve waar. De overdonderende herrie en het oorverdovende geschreeuw beschreef hij tot in de puntjes, starend naar de schaal kaasblokjes en de met Nederlandse vlaggetjes gesierde plakjes leverworst. Nadat zijn afsluitende woorden “het is allemaal zo moeilijk” nog resoneerden, heerste een even ongemakkelijke als eerbiedige stilte in de huiskamer.

In de oorlogsjaren trokken duizenden jonge Rotterdammers erop uit om aan eten te komen. Eén van die jonge knapen was mijn schoonvader. Iedere dag verliet hij het ouderlijk huis om aan het eind van iedere dag terug te keren met de schamele voedselresten die hij bijeen had weten te sprokkelen. Gekocht, geruild, gepikt. Het doel heiligde alle middelen.

Doodstil werd het aan de eettafel als hij begon te vertellen over de oorlogsjaren. Over de angst, het verdriet, de pijn, de leegte, de stilte, de kou. ‘Dat nooit nooit nooit meer’, besloot hij steevast zijn betoog dat wij ademloos aanhoorden. Woorden rolden als rollende stenen uit zijn mond. Pas als ze op waren, stak hij een sigaretje op en zweeg hij. Sinds 14 mei 1940 accepteerde hij geen enkele vorm van ruzie in zijn directe nabijheid. Zelfs vloeken was in zijn bijzijn niet toegestaan.

In de nacht van 14 op 15 mei 1940 waren de Rotterdammers gedwongen de slaap te aanvaarden op de matrassen van steen die op 13 mei nog doodgewoon de muren van hun huizen waren geweest.

Tijd om te rouwen was er nauwelijks, de 900 slachtoffers ten spijt. Rotterdammers, enerzijds te pragmatisch ingesteld om tijd in te ruimen voor een collectief rouwproces en anderzijds niet te beroerd om de handen uit de mouwen te steken, namen de beitel letterlijk en figuurlijk ter hand en werkten eendrachtig aan de wederopbouw.

Toen de rookwolken eenmaal waren opgetrokken, het puin tot gruis en het gruis tot as was verworden, de stenen waren geruimd, het stof was weggeveegd, verrezen uit hetzelfde as tientallen, honderden, duizenden, tienduizenden, honderdduizenden nieuwe huizen, flats, appartementen, kerken, bedrijfspanden, woontorens en wolkenkrabbers, waarmee de Rotterdammers gehoor gaven aan de richting die de twee wijde handen van Ossip Zadkine’s De Verwoeste Stad voor de stad hadden verbeeld.

Rotterdam is een waakzame wakkere vrouw die zich man waant:

op dinsdag 14 mei 1940, vandaag 80 jaar geleden, hadden de Nazi’s weliswaar haar hart genomen, maar nooit haar geest, haar lelijkheid, haar onredelijkheid, haar weerbarstigheid, haar karakter, haar moed, haar strijdlust, haar schoonheid, haar chauvinisme, haar humor, haar kameraadschap, haar gebalde vuist, haar opofferingsgezindheid, haar directheid, haar openheid, haar ziel, haar macht, haar oerkracht, haar spierkracht, haar eendracht, haar veerkracht, haar woorden, haar verhalen.

Ondertussen klinken de woorden van mijn oom en die van mijn schoonvader nog altijd na. Omdat woorden pas woorden worden als ze verhalen worden.

 

 

 

 

-