Op 24 mei 2021 wordt Bob Dylan 80 jaar. In aanloop naar deze mijlpaal zal ik iedere zondag tot aan zijn verjaardag een Geloofsbrief schrijven aan Bob. In zeven zondagse Geloofsbrieven ga ik op zoek naar mijn fascinatie voor deze levende legende.

 

Rotterdam, zondag 11 april 2021

 

“God zag dat het licht goed was”
– Genesis 1:4

 

Beste Bob,

 

Als mij gevraagd wordt naar mijn eerste kennismaking met jouw muziek noem ik altijd de zomer van 1985, maar feitelijk is dat niet juist. Al enkele jaren daarvoor draaiden wij jouw album Street Legal (1978) grijs. Op verjaardagsfeestjes. Dat deden we om en om met de soundtrack elpee van Jungle Book. Als we het zat waren om de stemmetjes van Mowgli, de slang Kaa of de panter Bagheera na te doen, draaiden we Changing of the Guards, Is Your Love in Vain en Baby Please Stop Cryin’. We waren niet veel ouder dan 10, 11. We (mijn neefjes en nichtjes) hadden geen idee waar jouw stem vandaan kwam, maar hij was even leuk te imiteren als die van Baloe de beer of van de tijger Shere Khan.

You been down to the bottom with a bad man babe, but you’re back where you belong. En dat dan zo snauwerig mogelijk nazingen. Stilletjes telde ik altijd het aantal b’s in mijn hoofd. Zes.

Maar zoals ik al zei in mijn openingszin, was de zomer van 1985 van doorslaggevende betekenis. Ik was vijftien jaar jong. Om die eerste bewuste kennismaking in het juiste perspectief te zetten, moet ik je vertellen dat ik die zomer voor het eerst Bruce Springsteen live had gezien. In de Kuip. Even voorop gesteld, ik zie jou als God en Bruce als Zijn en daarmee dus Jouw Zoon. Er komt, live, niemand bij Jouw Zoon in de buurt. Jij zelf ook niet. Inmiddels zal ik jullie beiden een keertje of dertig gezien hebben dus kan ik dit, zestig concerten en enkele honderden bootlegs verder, met een gerust gemoed vaststellen. Ik heb recht van spreken Bob. Je hebt me inmiddels een godsvermogen gekost en wat kreeg ik er voor terug?

Enfin, ik verkeerde die zomervakantie van 1985 nog altijd in de zevende hemel. Wat wil je als je de Messias hebt gezien in de Kuip. Mijn Kuip. Maar eigenlijk ook jouw Kuip. In 1978 was jij de eerste artiest die ooit in onze Kuip optrad Bob. Ik zou een paar jaar later op een CD- en platenbeurs voor een achterlijk hoog bedrag de bootleg van dat eerste Kuipconcert kopen. Om er achteraf toch een beetje bij te zijn geweest. Je begon met A Hard Rain’s A-Gonna Fall en sloot af met The Times They Are A-Changin’. Een kaartje kostte vijfendertig gulden. En daar kreeg je Eric Clapton dan bij. Als voorprogramma. En nóg geloven mensen je niet als je zegt dat je te laat geboren bent.

 

 

De zomer van 1985 verbleven we op een camping nabij Argelès-sur-Mer. In Zuid-Frankrijk. Het was de eerste vakantie dat ik mijn eerste biertje publiekelijk dronk (althans als mijn vader niet keek, mijn rock & roll leven kende altijd een rempedaal) en dat ik bewust opgewonden raakte van een meisje. Ze kwam uit Zwolle (niet opzoeken Bob, daar heb je nooit opgetreden). Geen tijd voor poëzie. Haar kletsnatte tieten rolden haast uit haar te krappe zwarte bikinihesje als ze zichzelf op de rand van het zwembad hees. Ik was toe aan mijn eerste tongkus (daar kwam het die vakantie overigens niet van, Bob). Iedere avond viel ik met mijn walkman in slaap met Ride Like the Wind van Christopher Cross die mijn smachtend verlangen naar mijn eerste tongzoen ten volle begreep als hij and I got such a long way to go zong. Ik vermeld dit alles, omdat in mijn latere leven zou blijken dat andere artiesten, eigenlijk íedere andere artiest, mijn gemoedstoestand beter aanvoelde dan jij ooit zou doen. Maar toch… maar toch…

Enfin, zo’n vakantie dus.

Op een goede dag gingen we naar Spanje, naar Lloret de Mar om precies te zijn. Daar verbleven ome Paul (de jongere broer van mijn vader) en Tante Annie met hun kinderen Monique en Patrick in een hotel. We waren net de Frans-Spaanse grens gepasseerd toen mijn vader een parkeerstop maakte voor een kop koffie. Mijn broer Ed (toen nog gewoon Edwin genoemd trouwens) zorgde die jaren voor de muziek. Thuis en in de auto. Daarvóór, toen we nog geen reet te vertellen hadden, draaiden we voornamelijk suffe muziek in de auto. Julio Iglesias. Neil Diamond. Charles Aznavour. En Vive La France natuurlijk. Pour un Flirt. Après Toi. La Ballade des Gens Heureux. Dat soort werk.

Daar had mijn puberende broer korte metten mee gemaakt. Eric Clapton, de Stones, Herman Brood, Mink DeVille, Bruce Springteen en Van Morrison hadden het stokje overgenomen van Richard Clayderman, Fausto Papetti en James Last.

Er was niets bijzonders aan de hand. Mijn vader deed een plas, mijn moeder schonk koffie in, mijn zus hielp mijn moeder met het vasthouden van de plastic bekertjes, mijn broer tuurde naar de horizon wachtend op wildere avonturen dan dit uitstapje. Hij had eerder deze week met een dronken buurman een onverantwoord nachtelijk uitstapje gemaakt naar Perpignan. Mijn broer stonk naar de drank toen hij ’s morgens vroeg ons tentje instapte. Hij zei niets, viel op zijn rug in slaap en snurkte als een zeeman dwarsdoor Christopher Cross heen.

Niemand durfde te vragen wat hij die nacht had uitgespookt.

Alles goed en wel, mijn broer had in de auto een cassettebandje opgezet. Zomaar, zo leek het. Want zo ging het altijd. Er niemand ooit iets gevraagd maar we luisteren zomaar naar Darkness on the Edge of Town van Bruce of Coup de Grace van Mink DeVille. Mijn vader mocht de motor niet uitzetten, want daarmee stopte de muziek altijd. Met de constante dreiging van muiterij kon mijn broer zich veel permitteren die jaren.

Toen gebeurde het.

Gód said to Ábraham, “Kill me a són
Abe say, “Mán, you must be púttin’ me on”
God say, “Nó”, Abe say, “Whát?”
God say, “You can what you wánt Abe but
the néxt time you sée me comin’, you better rún
Well, Ábe said, “Whére you want this kíllin’ done?”
Gód said, “Out on Híghway Síxty-One”

Mijn moeder en zus pelden perziken. Mijn vader las met een bezorgd hoofd de kaart. Mijn broer deed alsof hij geen kater had, maar zijn adem sprak boekdelen over grimmige kroegen, foute vrouwen, Gauloise sigaretten, veel drank en voor je leven de kroeg uit rennen omdat het geld op was. Mijn broers rock & roll leven kende alleen een gaspedaal. En toen kwam jij in mijn leven Bob. Met die wezenloze stem die ik meteen associeerde met de stem van God. En dan niet zozeer in clichématige zin van een liefhebbende God of een straffende God. Nee. Mijn God werd, door jouw toedoen (laat dat duidelijk zijn), een beschouwende God. Afstandelijk. Beeldend. Wijzend. Bepalend.

De desbetreffende Highway 61 uitvoering was overigens van het album Real Live (1984). Met die vlammende gitaarsolo van Mick Taylor. Je weet wel. Ach wat lul ik nou, je was er immers zelf bij. Het volgende moment ebde de solo van Taylor weg in een hol echoënd geluid dat zich het best laat vergelijken met een Chinese gong. Je weet wel. In die B-films van Steven Seagal komt zo’n gong nog wel eens voor. Daarna weet Seagal altijd wat hem te doen staat. Hij kijkt indringend in de camera en verslaat in het resterende deel van de film honderden kansloze idioten die het gevecht met hem dachten te kunnen aangaan.

Bij mij was het precies andersom Bob.

Vanaf dat moment was ik reddeloos en vanaf dat moment resoneert die Chinese gong nóg na. As we speak. Er gaat geen de dag voorbij dat ik geen muziek van je draai. Het is geen verslaving, eerder een kwelling, want ik schiet er in het dagelijks leven weinig mee op. Je maakte meteen gehakt van de overzichtelijkheid van mijn belevingswereld die, tot dat eendaagse uitstapje naar Spanje, naast de reeds genoemde artiesten, toch voornamelijk bestond uit Jungle Book, Bennie Wijnstekers, Kevin Keegan en de juichende Marco Tardelli. Je weet wel, tijdens de WK finale van 1982. Hij scoorde de tweede goal tegen West-Duitsland. (Ooit, zo droomde ik vóór de zomervakantie van 1985, zou ik in de Kuip, ónze Kuip Bob, die van jou en mij, en die van jouw Zoon, als Feyenoordspits de winnende scoren tegen onze vriendjes uit Amsterdam en dan zou ik juichen als Marco Tardelli, omdat ik Rotterdam had bevrijd).

Ik had Highway 61 gehoord en mijn wereld was in een labyrint veranderd. Ik wist niet hoe, ik wist niet waarom, ik wist niet waardóór. De scheiding in het haar van mijn vader (we reden intussen weer) was nog even onverbiddelijk als zijn karakter. Mijn moeder keek naar buiten waar de Mediterranee haar toelachte. Mijn zus las een tienerblad. Mijn broer had zijn te grote voeten buiten het raam gehangen en jij zong in mijn hoofd Bob.

“We’ll just pút some bléachers out in the sún
And háve it on Híghway Síxty-One”

De Chinese had geklonken als een alarmbel. Ik had het licht gehoord en God zag dat het goed was. Mijn reis met jou was begonnen.

Tot volgende week en groetjes,
Marco

 

 

Lees hier Geloofsbrief 2 – De Verkouden Wasbeer
Lees hier Geloofsbrief 3 – Jij Is Een Ander
Lees hier Geloofsbrief 4 – Groetjes van Mr. Jones 

 

 

-