Op 24 mei 2021 wordt Bob Dylan 80 jaar. In aanloop naar deze mijlpaal zal ik iedere zondag tot aan zijn verjaardag een Geloofsbrief schrijven aan Bob. In zeven zondagse Geloofsbrieven ga ik op zoek naar mijn fascinatie voor deze levende legende.

 

 

Lees hier Geloofsbrief 1 – De Chinese Gong
Lees hier Geloofsbrief 2 – De Verkouden Wasbeer
Lees hier Geloofsbrief 3 – Jij Is Een Ander

 

  

Rotterdam, zondag 2 mei 2021

“Something is happening
And you don’t know what it is
Do you Mr. Jones?”
– Ballad of a Thin Man (Bob Dylan )

 

Beste Bob,

 

Je liveoptredens. Daar moesten we het maar eens over hebben. Niet je livealbums (niet veel, wel wisselvallig), maar je concerten dat we elkaar, eigenlijk ik jou, echt gezien hebben.

Aan voorpret daarbij geen gebrek Bob. Wij Feyenoorders zijn specialisten op het gebied van voorpret. Voorpret op Champions League niveau! Bij iedere Open Dag zijn we ervan overtuigd dat we kampioen worden. Oprecht. Maar we zijn Kampioen van de Gifbeker.

Feyenoord en Bob Dylan. Elke keer hoopte ik dat je de belofte zou gaan inlossen. Zoals Roy Buchanan zingt: I know the Messiah will come again. Dat gevoel. Die voorpret. Die trilling vóóraf. Die wilde ballen in je buik. Dat draaierige gevoel. Het begint al met de voorverkoop. Nee. Het begint daarvóór. Die aankondiging dat je komt. Jij. De God van Rock & Roll.

Dat ging in de jaren tachtig, bij gebrek aan computers, door middel van een artikeltje in de krant. Het was september 1987 toen ik je voor het eerst zag optreden. Ik was zeventien. Mijn grote broer Ed, die mij alles had geleerd over Rock & Roll, en dus over jou, lag na een onfortuinlijk ongeval in het militaire ziekenhuis in Utrecht. Nadat hij in de zomervakantie van 1985 de Chinese Gong had laten klinken, had ik alleen met hém jou voor het eerst willen zien. Hij was en is the brother you never had zoals je in Lenny Bruce zong.

We schrijven zaterdagavond 19 september 1987 Bob, en je speelde in Ahoy’ met Tom Petty en zijn hartenbrekers. Even vooropgesteld, ik heb nooit veel op gehad met Petty. Hij kwam op mij altijd wat gespeeld-verveeld over. In interviews had hij de gewoonte drie octaven lager te spreken dan zijn zangstem. Thuis deden we hem altijd na…”you know I was on the road with Boooooob …”. Degene die Boooooob zo laag en lang mogelijk kon uitrekken had gewonnen. Was een leuk spelletje als de kinderen zich verveelden op de achterbank op weg naar de camping in Zuid-Frankrijk. Ze zijn nu 25 en 22 Bob. De tijd vliegt. Vertel mij wat, als je grote held goddomme 80 wordt.

Maar goed. Jij was in 1987 dus on the road met Tom Petty and the Heartbreakers. Dat was de allereerste keer dat ik jou zág. Mócht zien. In Ahoy’. Vlak voor het optreden keek ik mijn ogen rond. Het leek wel een conventie van biologieleraren Bob. Allemaal baardapen die op gemakkelijke schoenen liepen. Natuurliefhebbers. Wandelaars. Ze droegen slobberige T-shirts die muf roken. Geen nachtbrakers maar early risers. Ze drinken melk en beschouwen de wereld door een microscoop. Ze legden je op een dekglaasje en fileerden je Bob. Zoals ze met dode insecten doen.

Er was niemand in Ahoy’ van mijn leeftijd. Althans, ik had mijn toenmalige vriendinnetje meegenomen maar zij zag de zin van jou niet in. Ze studeerde later Bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit, nou dan weet je ‘t wel Bob. Een bolleboos. Cijfertjes. Te pienter voor jou en mij. Een jaar later ging het kaarsje dan ook uit. Ze kon eerst niets met jou, even later niets met mij. Geef haar eens ongelijk. It ain’t me babe.

Je kwam in Ahoy’ op als de Messias.

Je droeg een wit wijd zittend overhemd. Je haar krulde alle kanten op en bovendien had je de baard van Jezus Christus zelf. Blauw podiumlicht bevestigde dat beeld. Ik was betoverd en kon geen woord uitbrengen. There was music in the cafés at night and revolution in the air.

Op een minipapiertje schreef mijn vriendin in blokletters de titels van je setlist die ik haar toeschreeuwde. Mijn rug gebruikte ze als bureaublad. The Times They Are A-Changin’! Highway 61! Ballad of a Thin Man!, schreeuwde ik over mijn schouder naar mijn rug. Je sloot het concert af met een gastoptreden van Roger McGuinn van The Byrds. Die kreeg ik er als jochie gratis bij. Legendarische artiest maar hij had bij lange na niet die verbetenheid die Chimes of Freedom juist vereiste. De recensies waren niet mals. Dronken was je. Afwezig. Verward. Over. En uit. Ik reageerde op iedere recensie Bob. Per brief. Furieus was ik. Ik begon iedere brief, naar goed voorbeeld, met my name it ain’t nothing, my age it means less. Dat laatste vond ik nodig, omdat ik als zeventienjarige wel serieus genomen wilde worden. God was aan mijn zijde toen ik de brieven schreef. Zo sprong je niet met een icoon om. Het interesseerde me geen reet of ze gelijk hadden of niet.

Een dag later bezocht ik mijn broer in het ziekenhuis. Met het briefje van mijn vriendinnetje nam ik de hele setlist door. Het concert was aan zijn bedrand nog beter dan het echte concert. Ik zag aan zijn ogen dat hij had gezien dat ik de verschijning van God had gezien. The face of God will appear. Je weet wel.

 

 

Ik zag je de jaren nadien nog veel vaker. Vooral de concerten in Vredenburg Utrecht herinner ik me nog goed. Dat wil zeggen… deels. We, mijn broer en ik, dronken in die tijd meer dan goed voor ons was Bob. Dat is de realiteit. De herinneringen verwaaien in vlagen en vervagen met de tijd. Alleen het beste blijft bewaard. Zo werkt het selectieve geheugen.

Ik weet nog dat je op een gegeven moment je laars op een podiumspeaker had gelegd. Zo maar, niets bijzonders, maar dat vond ik zo fucking cool dat ik het uitschreeuwde. Even eerlijk: er zat waarschijnlijk wat oud zeer bij die vreemde vreugdekreet, Bob. Een paar jaar daarvóór, ergens in ’91, bezochten we een concert van The Fabulous Thunderbirds in Nighttown Rotterdam. We kwamen eigenlijk alleen voor Jimmie Vaughan, broer van de toen net overleden gitaarheld Stevie Ray Vaughan. Mijn broer en ik stonden he-le-maal vooraan Bob. En dat was een unicum op zich, normaliter stonden we achteraan. Bij de bar.

“Godverdomme!’, schreeuwde mijn broer vlak voor het optreden, “dit zijn gewoon de cowboy-boots van Jimmie Vaughan!”. Toen het doek eenmaal omhoogging, zagen we dat die gerse boots niet van Jimmie waren, maar van een of andere boerenpummel uit Texas. Een spriet van een vent. Zag er niet uit, hij speelde als een gek, dat wel, maar ja… het was geen Jimmie Vaughan. Die was niet op komen dagen. Feyenoord. Gifbeker.

In Utrecht werd ik dus gek toen jij je éne laars op de speaker liet rusten. Je keek voornamelijk naar je gitaar, maar je hoefde maar één keer arrogant omhoog te kijken, dus náár de zaal, en het publiek joelde al. Zoveel hielden we van je Bob. Lord knows I’ve paid some dues getting through… publiek: TANGLED IN BLUE!… en jij, nét een tel daarna die zo cool en vreemd intonerend met dat minieme knikje Tangled up in blue… de zaal in slingerde.

Briljante gek.

Het was genoeg voor complete vervoering. In dat éne knikje zat jouw begrip: ik weet wat jullie willen, maar ik doe het niet. Accepteer het dat ik jullie speelbal niet kan zijn. Dignity never been photographed. Jullie zullen mij nooit krijgen. Ik zal niet verdwijnen in de gulzige bek van Mr. Jones.

 

 

Met je kin omhoog keek je de zaal in. Meer hoefde je niet te doen. Mr. Jones joelde. Eén sacraal moment had ik het idee dat je míj rechtstreeks aankeek. Het gebeurde 21 juni 1996 in Vredenburg, Utrecht tijdens My Back Pages (precies zoals jouw Zoon Bruce Springsteen mij recht in de ogen keek bij The Promised Land op 18 november 2018 in op Broadway, New York). Zeg eens eerlijk Bob, kéék je mij inderdaad aan? Zág je mij inderdaad? Je herinnert je het toch nog wel?

Het waren fantastische concerten. Je soulmate Jerry Garcia (vermenigvuldig Tom Petty met factor zesendertig en je komt uit bij Jerry Garcia) was net overleden en je speelde een meesterlijke versie van Friend of the Devil. Je speelde in die tijd een rare mengeling van jazzy folk, veel akoestische gitaren, een banjo, mandoline, je mondharp en de staande bas. Adembenemend waren je uitvoeringen van Desolation Row en Mama, You Been On My Mind. Ik weet het nog zo goed omdat ik later voor een godsvermogen de bootleg van die Utrechtconcerten kocht.

In 2000 gingen we met een groep vrienden, inmiddels allemaal getrouwde stelletjes en vele kinderen rijker (ja wij versleten ‘em niet met pissen Bob) naar jouw concert in Ahoy’. Wáánzinnig. In de toegift speelde je een geweldige versie van 4th Time Around. Anno 2000 was er geen Keith Butler die je voor Judas uitmaakte, maar was het een jonge oververmoeide Rotterdamse vader die prompt opstond en BINNENRIJM! schreeuwde. Die gillende man  (met een drankje op) was ik Bob. Misschien hoorde je me wel. Het moment was namelijk nogal eh… vreemd. Ik geef het toe. Ik merkte het vooral aan de verbazende blikken om me heen. Maar ik kon me niet meer inhouden toen ik die briljante dichtregels binnen voelde komen als de zoete lucht van pannenkoeken.

 

“ (…) I waited in the hallway, she went to get it
And I tried to make sense
Out of that picture of you in your wheelchair
That leaned up against . . .
Her Jamaican rum
And when she did come, I asked her for some
She said, “No, dear”
I said, “Your words aren’t clear
You’d better spit out your gum”

 Sense. Against. Rum. Some. En dan even later gum.

Geen idee overigens wat je ermee bedoelde Bob, maar de inhoud laat ik graag aan de echte kenners over. Ze mailden mij ten aanzien van eerdere stukjes die ik over je geschreven had op mijn Blog Spookrijden.nu. Ik had niets van jou begrepen Bob, volgens hen. Zíj snapten jou wel. Blijkbaar.

Zij wel.

Ik niet.

Ik zag je zo vaak Bob, ik ben de taal kwijt geraakt. We lagen ’s nachts in de rij. Op een tochtig plein bij Ahoy’ of bij het VVV kantoor op het Stadhuisplein waar het altijd waaide. We droegen vijf, zes lagen kleding over elkaar. Als Poolse vakbondsleiders zagen we eruit. We rookten zware shag, dronken gedistilleerd dat we van onze ouders hadden gepikt. Als de zon opkwam kwamen onze vrouwen met koffie, thee en soep. We dronken de laatste lauwe biertjes omdat het anders zonde was. We begroetten de dames bij de kassa met een rollende boer. We dobbelden, rochelden, kaartten, rookten, voetbalden, dronken en we draaiden uiteraard jouw muziek. Steenkapot kwamen we thuis met vervuilde tanden alsof er plakband op zat. Maar wel mét de heilige kaartjes. Alles alles alles hadden we voor jou over beste Bob.

Echt alles.

Groningen (je droeg van die witte pooierschoenen). Düsseldorf. Parijs. Den Haag. Rotterdam. Utrecht. Istanbul (Just Like A Woman echode door het open amfitheater Cemil Topuzlu, en je zag dat het goed was).

 

31 mei 2010, Bob Dylan in Istanbul

 

Ik ben zelfs met Anita naar de Heineken Music Hall in Amsterdam gegaan om de zoveelste teleurstelling te moeten ondergaan, want het niveau van je concerten werd almaar minder. Iedereen was lyrisch over dat concert weet ik nog, ik vond het kut. Saaie trage kutnummers waar maar geen eind aan leek te komen.

De geest was terug in de fles.

Ik zou jouw Never Ending Tour (die begon op 7 juni 1988 en die God-mag-weten-wanneer eindigt) dan ook willen omschrijven als één grote Coïtus Interruptus waarbij je niet één keer de originele wereldberoemde studio-opnames ook maar trachtte te benaderen van Like a Rolling Stone, Blowing in the Wind, The Times They Are A-Changin’, Mr. Tambourine Man, All Along The Watchtower om maar een paar van je klassiekers te noemen.

Something is happening and you don’t know what it is… do you Mr. Jones? In feite speelde je dat lied (Ballad of a Thin Man) tussen ieder lied door. In stilte. Als de podiumlichte doofden, jij je omdraaide en iets dronk bij de basedrum.

Wij, Jan Publiek, waren allemaal Mr. Jones. Je had lak aan herkenbaarheid en voorspelbaarheid. Te hoog gespannen verwachtingen? De schuld van het publiek. Voorpret is voor de zoekenden, de gifbeker voor de wachtenden, hoop voor de verwachtenden. Honderd procent het probleem van Mr. Jones. Je verplichtte immers niemand een kaartje te kopen. Toch deden we het.

Onvervangbaar en onbevangbaar. Dat was je.

De laatste keer dat ik je zag optreden was op zaterdag 10 november 2013. In Brussel. Het was de eerste keer dat mijn dochters je in het echt zagen. En je bloedbroeder uit de Lage Landen was ook aanwezig. Alex Roeka ja. Hij kan met je wedijveren Bob, geloof me. Alex had je alleen nog nooit live zien spelen. Snap jij zoiets? Ik ook niet. Ik trok hem dan ook aan zijn piekhaar mee naar Brussel. We aten stoofvlees in Restaurant Le Cirio. Was een tip van Alex. Omdat Jacques Brel daar graag kwam. (Brel is overigens de Tom Petty van het chanson, maar daarover graag een andere keer).

 

 

Ik schreef een verhaaltje over dit teleurstellende concert en één passage wil ik graag met je delen Bob:

“Hij moet die kutpiano weg doen.”

Aan het woord is Alex en de ‘hij’ uit de zin is Bob Dylan, zijn Amerikaanse alter ego. Ik heb nog nooit zo’n zwak optreden van De Grote Meester zelf gezien en dit moet toch ongeveer de dertigste keer zijn dat ik Bob Dylan live zie optreden. Bob wordt een karikatuur van zichzelf. Het klinkt nergens meer naar.

Ik probeer Bob door de oren van Alex te horen en kijk hem stiekem aan. Zijn handen leunen op het handvat van zijn paraplu. Hij kijkt nors, what’s new, laten we zeggen geconcentreerd. Hoe luistert de ene held naar de andere? Hoort hij wellicht iets wat wij, gewone stervelingen, niet horen?
“Hebben jullie gisteren nog gekorfbald?”, vraagt hij, zonder zich om te draaien, na afloop aan de meiden op de achterbank. We rijden van Brussel naar Antwerpen. Hij heeft niet gezien dat ze vlak na de afslag Mechelen in slaap zijn gevallen.

Uit: Me, Myself and Alex

Daarna was het welletjes Bob. Genoeg is genoeg. Ik hoefde niet meer van mijzelf.

De laatste jaren speelde je al geen gitaar meer. Helaas. Geen idee waarom. Of je staat als een betrapte schuinsmarcheerder wat te zwabberen op het podium, of je bent niet weg te slaan achter die elektrische kutpiano van je. Het ziet er niet uit Bob, en juist daarom voldoet het weer aan alles wat jou Bob Dylan maakt.

Maar toch. Maar toch… al die teleurstellingen ten spijt…. toch… als je naar een concert van je gaat… en je zit met een biertje op de tribune… en die stokoude ondefinieerbare bluesmuziek uit de jaren dertig weerklinkt… en het licht gaat uit… en als dan die stem door de zaal galmt… ja dan…. dan….

 

“Ladies and gentlemen please welcome the poet laureate of rock ‘n’ roll. The voice of the promise of the 60’s counterculture. The guy who forced folk into bed with rock. Who donned makeup in the 70’s and disappeared into a haze of substance abuse. Who emerged to find Jesus. Who was written off as a has-been by the end of the 80’s, and who suddenly shifted gears releasing some of the strongest music of his career beginning in the late 90’s. Ladies and gentlemen – Columbia recording artist Bob Dylan!”.

 

…dan jeukt de sensatie toch weer tot diep in het scrotum Bob. Hoop, voorpret en verwachting zijn de drie musketiers die iedere keer weer op je voordeur kloppen. Soms zet je de deur op een kiertje, soms doe je niet eens de moeite om open te doen. Steeds weer hebben we de verwachting dat er íets staat te gebeuren, maar we hebben geen idee wat. Dat is het lot van Mr. Jones die wij allen zijn.

Tot volgende week Bob! Weet je trouwens al wat je voor je verjaardag wilt?

Kusje,
Mr. Jones

 

 

 

-