Op 24 mei 2021 wordt Bob Dylan 80 jaar. In aanloop naar deze mijlpaal zal ik iedere zondag tot aan zijn verjaardag een Geloofsbrief schrijven aan Bob. In zeven zondagse Geloofsbrieven ga ik op zoek naar mijn fascinatie voor deze levende legende.

 

Lees hier Geloofsbrief 1 – De Chinese Gong
Lees hier Geloofsbrief 2 – De Verkouden Wasbeer

Rotterdam, zondag 25 april 2021

 

“Well, I try my best to be just like I am
But everybody wants you to be just like them”
– Maggie’s Farm (Bob Dylan )

 

Beste Bob,

 

Je muziek kleefde als een natte handdoek aan mijn bestaan. Mijn verzamelwoede kende geen grenzen. Ik werkte als puber bij groenteboer Aad Stouten in de Beverwaard. Ik verdiende 35 gulden per zaterdag. Iedere gulden werd besteed aan mijn Bob Dylan collectie.

De Plaatboef op de Nieuwe Binnenweg was mijn dealer. Bij de ingang van De Plaatboef stonden links en rechts de bakken slechte kwaliteit elpees. Uiteraard tweedehands. Ter onderstreping van de inferieure kwaliteit stond op iedere hoes een oerlelijke krul. Met een merkstift. Dat vond ik verschrikkelijk. Maar goed, het ging om het vinyl. Het was een sport om de elpee uit de gehavende hoes te halen, die tegen het licht te houden om te kijken of er grove krassen in zaten. Alle elpees kostten twee gulden vijftig. Soms kwam je bedrogen uit, maar de ervaring leerde dat je vaak goed zat.

Iedere week ging ik van Zuid op de fiets naar De Plaatboef. Als ik terugkwam volgde een vast ritueel: in de kamer van mijn broer werd de nieuwe tweedehands elpee gedraaid. Shot of Love. John Wesley Harding. Blonde on Blonde. Another Side of Bob Dylan. Niemand mocht zijn kamer betreden. Niemand. Wij zwegen als jij het woord voerde Bob. Nadien stopte ik de elpee in de hoes en keerde ik radeloos naar mijn kamer. The Basement Tapes draaiden we een nacht lang non-stop. Beter bestond niet. Toen KRO-DJ Hubert van Hoof op een zondagavond Romance in Durango had gedraaid kwamen mijn broer en ik elkaar met een gelijktijdige “TERING!” op de gang tegen. Hot chili peppers in the blistering sun. We waren verbluft, overbluft. In mijn Bosatlas zocht ik op waar Durango lag. Ik zwoer dat ik mijn vrouw ooit (ik kende Anita nog niet) naar Durango zou nemen.

 

 

Voor mijn klasgenoten nam ik bandjes op. Ik was je onbezoldigde ambassadeur Bob. Je misdienaar. Je apostel.

DJ Michel draaide Like a Rolling Stone in Le Vagabond, de kroeg brulde How Does It Feel? en ik kon wel janken Bob. Die stem, dat Hammondorgel, die sound. Zo veel waarheid paste niet in een dronken hersenpan van een amper 19 jarige, Bob. Het was onverantwoord.

Een elpee betekende alles. Het was de hoes, de geur van het vinyl, de volgorde van de nummers, het vergelijken van kant A met kant B en de teksten die vaak op de achterkant gedrukt stonden.

Het was de tijd van de polarisatie in de muziek. Je had Hardrock (Iron Maiden, Kiss, Saxon). New Wave (Talking Heads, Echo & the Bunnymen, New Order). Reggae (Bob Marley, UB40, Jimmy Cliff). Pop (Madonna, Michael Jackson, AHA). Pop/Rock (Simple Minds, U2, Duran Duran). In Atheneum-5 en 6 had ik slechts enkele klasgenoten weten te overtuigen om een bijeen te komen in mijn naamloze hoekje, dat van Bruce Springsteen, de Stones, Mink DeVille, Eric Clapton, Herman Brood, Van Morrison, Neil Young en jij Bob. Jij.

Je slingerde me heen en weer. Ik ging studeren, dat was geen groot succes. Ik denk dat jij er mede schuldig aan was. Nog altijd wilde ik jou zijn. Ik werd uitgeloot op de school van Journalistiek in Tilburg. Nog altijd wilde ik jou zijn. Ik ging een naar de Hoge Economische School in Rotterdam. Nog altijd wilde ik jou zijn. Op de HES bestond de afdeling Economisch-Linguïstisch voor 80 procent uit jonge studentes. Nog altijd wilde ik jou zijn. Ik verwaarloosde mijn studie na een desastreus verlopen tentamen wiskunde. Nog altijd wilde ik jou zijn.

Je liet me dromen Bob, maar van dromen koop je geen brood. Je bleek te ver weg. Ik wist mij geen raad met je, want ik schoot niet veel op met mijn adoratie voor jou. Eigenlijk integendeel. Daar waar de punkers, de hardrockers en de new-wavers zich onderling verbroederd en gezusterd wisten, daar liet je mij en mijn soortgenoten lelijk in de steek. Althans, zo voelde dat lange tijd. Je kostte me veel geld want intussen kocht ik ook je bootlegs die vaak van een bedroevend slechte geluidskwaliteit waren. De onevenredigheid was compleet: ik gaf heel veel om jou, maar hoeveel gaf jij om mij? Om ons?

Ik kon je niet goed plaatsen Bob. Je liet je in geen enkel hokje plaatsen. Misschien dat dát me uiteindelijk het meeste aantrok Bob, maar da’s achteraf.

Je begon als folkzanger. Dat werd toen protestzanger. Rockzanger. Countryzanger. Middle of the Roadzanger. Folkrockzanger. Soulzanger. Gospelzanger. Popzanger. Rockzanger. Folkzanger. Rockpopfolkzanger. Blueszanger. Crooner. Rockblueslatenightcroonerzanger.

Bij iedere stijl hoorde een andere stem, een andere look, een andere kijk, een andere richting, een andere lichting. De popcritici schreven je vaker af dan welke andere artiest dan ook. Je liet je voor geen enkel karretje spannen.

Het begon allemaal zo mooi, in de zin van overzichtelijk. Right time, right place Bob.

Terwijl Elvis met zijn heupen zwaaide, de Beatles keurig in koor Love Love Me Do zongen en de Stones nog zoekende waren wat ze nu precies wilden (anders dan het zoveelste Chuck Berry coverbandje te zijn), schopte jij je schoenen kapot tegen de gevestigde orde. De boel moest óm. Je maakte je kwaad op dezelfde manier waarop Jezus de geldwisselaars uit de Tempel joeg.

Het antwoord waaide in de wind, alle oorlogsleiders moesten sterven (And I hope that you die and your death will come soon) en de winnaars van nu zouden op zeker de latere verliezers zijn. Er was geen weerman nodig om te weten vanuit welke hoek de wind waaide.

Rebellerende studentenorganisaties omarmden je. De flowerpowerbeweging zag in jou de profeet. Ze kwamen allemaal bedrogen uit Bob.

In 1965 schrok de ultieme vredespostduif Pete Seeger zich de pleuris toen jij op zijn Newport Folk Festival op de proppen kwam met de Paul Butterfield Blues Band die het geitenharensokken publiek wegblies met een oorverdovend hard optreden. Gitarist Mike Bloomfield maakte zich legendarisch door zijn vlijmscherpe gitaarsolo die, in combinatie met jouw stem, de werking had van een cirkelzaag. Je vloekte in de kerk. De goegemeente kwam voor het veilige Mr. Tambourine Man en kreeg een kiezelharde versie van Maggie’s Farm voor de kiezen. Het dreef Pete Seeger tot wanhoop. Volgens de overlevering probeerde hij achter de schermen de microfoon- en gitaarsnoeren met een bijl te doorklieven.

 

 

Toen ik dat las, wist ik zeker dat jij meer punk in je teennagel hebt dan welk bandje Pinkpop of Lowlands anno nu aandoet. Met hun geföhnde gestileerde haardossen. Gadverdamme. Jij was het Bob.

Een paar maanden later hadden “fans” het bij een concert in Manchester aangedurfd om jou bij monde van ene Keith Butler voor Judas uit te maken, omdat ze je elektrische gitaar als verraad ervoeren. Verraad?! Je reageerde daarop zo furieus dat je je band opdroeg om Like a Rolling Stone nóg harder te spelen. Play it fucking loud!, schreeuwde je eigenlijk tegen het verzuilde zichzelf intellectueel noemende publiek en daarmee tegen de wereld.

 

 

Als oude puber of jonge man kotste ik van de naam Keith Butler alleen al. Keith Butler stond voor mij symbool voor de massa die zich geen raad wist met verandering, terwijl jij in 1963 al zong dat de tijden aan het veranderen waren. Laat ze niet zeggen dat je ze niet gewaarschuwd had.

Waarschijnlijk heb jij het Keith Butler al lang vergeven, maar voor mij staat hij nog altijd (as we speak) symbool voor de goegemeente, de gevestigde orde, muziekrecensenten, platenmaatschappijen, actiegroepen, politieke partijen, noem maar op. Iedereen wilde iets van je. Je trok je van niemand iets aan. Je was geen spreekbuis, geen klankboord, geen jukebox, geen trekpop. Toen je op een persconferentie gevraagd werd wat je boodschap was, antwoordde je doodleuk Keep a good head and always carry a light bulb.

Ze vroegen er zelf om, Bob.

Alles wat je te zeggen had, als je überhaupt iets te zeggen had, vertolkte je in je songs. Dat had meer dan genoeg moeten zijn, maar ze wilden meer en meer en meer. En ze wilden meer van hetzelfde. Meer van het herkenbare. Meer van het herkauwbare. Dylan Goes Electric. Het was wereldnieuws. Boekwaardig.

 

 

En dus sprong je weg. De titel van de song I’m Not There (1967) en de gelijknamige muzikale biopic (2007) sprak boekdelen. Regisseur Todd Haynes koos ervoor om jou uit te diepen in diverse alter ego’s. Eén ervan is de Franse dichter Arthur Rimbaud wiens briljante uitspraak Je Est Un Autre (Ik Is Een Ander) alles zegt over jou, want je bént niet een ander maar je ís een ander.

De jaren zeventig, gedomineerd door vier fantastische albums Planet Waves, Blood on the Tracks, Desire, Planet Waves en Street Legal, sloot je af met enkele religieuze albums die ik stuk voor stuk grijs draaide. Je werd verketterd om deze rigoureuze koerswijziging. Het was over en uit met Bob Dylan. Zo vond men. Ze zagen niet in dat je ook dáármee een huilig huisje omver trapte, namelijk dat van henzelf. Een groot deel van de Joodse gemeenschap en van je familie keerden zich tegen je vanwege je openlijke liefdesverklaring aan Jezus Christus. Wat een moed had je Bob. Ze waren amper op adem gekomen of je nam het op voor het schoffie van de buurt, zijnde de staat Israël in Neighborhood Bully (1983). Weer zette je iedereen op het verkeerde been.

Ik genoot.

In 1997 trad je in Bologna op voor Paus Johannes Paulus II. Ook dat kon niet. Mocht niet. De Paus. Fouter kon niet. Dat dezelfde Paus zijn geboorteland Polen zo ongeveer eigenhandig had bevrijd uit de handen van de communistische dictatuur werd gemakshalve vergeten. De stille diplomatie van de Paus werd niet Rock & Roll gevonden. Het verklaart impliciet de populariteit van Che Guevara. Oogje toe voor het bloedbad dat hij aanrichtte. Nee de Paus, die was fout. Het Vaticaan stond symbool voor al het foute op deze wereld en jij, Bob Dylan, jij had je ziel verkocht.

 

 

Ik genoot nog meer.
Wie waren ze dan?
Wie bepaalde wát, hóe en waaróm je íets zou moeten denken?

(Misschien is dat wel de levensles, if any, die je me leerde Bob).

Men ging voorbij aan de kwaliteit van je religieuze songs. Je bekering, het eeuwige gevecht tegen de verleidingen en de daarmee gepaard gaande twijfels (kippenvel: I gaze into the doorway of temptation’s angry flame | And every time I pass that way I always hear my name) bezong je in Every Grain of Sand, een fantastisch nummer dat tot je allerbeste werk gerekend mag worden. Mijn dochters weten wat gedraaid mag worden als ik tussen de zes planken lig. Nu, ja nu, worden ook déze albums serieus tegen het licht gehouden. Hetzelfde licht dat ik als tiener in De Plaatboef gebruikte om het vinyl te checken op krassen.

 

 

De zaaltjes waarin je optrad werden kleiner en kleiner. Je bezweek nooit onder het immense verwachtingspatroon. Je allergrootste kutnummer móet haast wel Wiggle Wiggle (1990) zijn, maar het werd briljant omdat je precies voor dít nummer de toenmalige wereldster (en ons inziens zwaar overgewaardeerde) Slash (gitarist Guns ‘n’ Roses) liet aanrukken. In de studio kon zijn zorgvuldig uitgedokterde Rock & Roll look (zonnebril, bovenarmige plakplaatjes, bos geverfd haar, circusdirecteurshoed) geen redding meer bieden. Wiggle, wiggle, wiggle in your boots and shoes, Wiggle, wiggle, wiggle, you got nothing to lose. Slash droop af. Tranen met tuiten gelachen, mijn broer en ik.

Geniaal.

Door toedoen van de Canadese producer Daniel Lanois herrees je uit je eigen graf met twee bloedmooie albums (Oh Mercy 1991, Time out of Mind 1997). Album voor album krabbelde je terug, zonder een knieval te doen, zonder in te spelen op nostalgische gevoelens van het publiek. Ja je sloot je concerten af met Like a Rolling Stone of All Along the Watchtower maar telkens in andere uitvoeringen waardoor ik momenteel in het bezit van honderden verschillende versies van één enkel nummer. Je bent een jazzartiest, zo eentje die zich muzikaal weigert in te (laten) kaderen. Je vermijdt de pers als de pest. Je hebt je lesje geleerd. Ze wilden decennia lang bloed en je betaalde in bloed, maar niet het bloed van jezelf.

Op je laatste album Rough and Rowdy Days (2020) staan twee parels. I Contain Multitudes is een directe verwijzing naar het gedicht van Walt Whitman uit 1855 en komt op vrij simpele “waar staat geschreven dat ik consequent moet zijn” principe neer. Het dekt de lading van je gehele oeuvre. Het andere juweeltje is Murder Most Foul, een litanie die 16 minuten en 54 seconden duurt en een adembenemende reis vertolkt van jouw reis door Amerika en de tol die steeds weer betaald moest worden.

 

(Directed and Edited by Bob Mori www.bobmori.com) 

 

Lieve Bob, je schreef protestsongs, countrysongs, bluessongs, hillbillysongs, klinkklare onzin-songs, rocksongs, liefdessongs, reli-songs, zeepbellensongs, stoftotnadenkensongs. Je trok, zoog, duwde, streelde, stootte, jeukte, krabde, vocht, sloeg, loog, aaide, verzweeg, schreeuwde en verkondigde. Je lacht zelden en dat voorrecht sta ik je toe. Ieder album zou gelabeld moet worden met één grote middelvinger Bob.

Vier decennia lang kocht ik alles van je. De gehavende elpees verving ik door betere tweedehands of nieuwe elpees die ik vervolgens verving door CD’s. Ik kocht bootlegs op vinyl en CD en kocht VHS-video’s die ik na verloop van tijd verving door DVD’s.

(Niet alles trouwens Bob. Alleen die laatste hopeloze crooner cd’s niet. Ik kan ze niet verdragen, ik zeg het je eerlijk, maar ik hoop dat je me dat vergeeft. ‘k Weet wel dat ik ze ooit ga kopen om ze vervolgens nooit te draaien).

Meantime life outside goes on all around you. Ondertussen ging mijn leven gewoon door he, Bob. Vergeet dat niet. Je baant je een weg door de tijd, wordt verliefd, trouwt, wordt vader en werkt je de pleuris. Iedere dag draai ik je muziek Bob. Iedere dag. Al is het maar één lied. Maar het moet. Om wakker te blijven. Anders verzink ik. Je gaf zo veel Bob, maar nam niets ván ons. Je gaf niets óm ons. Ik zocht om herkenning in jou en om jouw erkenning van mij. Tevergeefs. Nu weet ik beter. Ik laat je gaan. Ik wil niet langer jou zijn. Ik ben je ambassadeur niet meer. Ik hoef niemand meer te overtuigen. Ik ben bevrijd.

Want jij Bob, jij is een ander.

Tot volgende week lieve Bob, ik kijk uit naar je verjaardagsfeestje! Jijzelf ook?

Marco

 

 

Lees hier Geloofsbrief 4 – Groetjes van Mr. Jones

 

 

-