“To dream is not enough
You have to fullfill your dream.”
– Paolo Coelho

***

 

In dit dagboek Jongensdroom houd ik alle ervaringen bij voorafgaand aan de publicatie van mijn debuutroman in december dit jaar. De laatste post verschijnt steeds bovenaan – om de chronologie te respecteren verplaats ik hem naar beneden zodra er weer een nieuwe post is.

Veel leesplezier toegewenst.

 

***

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘Schrijven is als naaktlopen over de Lijnbaan, mama. Ik wil het niet, maar het is alsof het móet. Of het moet niet, maar ik wíl het zo graag. Het is teveel.’

 

De nacht van zondag 12 juli op maandag 13 juli 2020

Tot even voor middernacht heb ik met mijn zus Liliane haar op- en aanmerkingen doorgenomen. Haar notities stonden in haar agenda en op de voor- en achterkant van enveloppen van de KPN.

Mijn zus is, naast mijn moeder, ontegenzeggelijk het meest belezen van onze familie. Ooit zal ze redactrice worden. Of bibliothecaresse. Of gaat ze alsnog Nederlands studeren. Haar feitenkennis is ongeëvenaard, haar Nederlands perfect. Bovendien heeft ze last van goede smaak en vooral dat laatste is nodig voor de afronding van mijn manuscript. Haar mening doet ertoe.

Van de vermoeidheid kregen we de slappe lach. Zoals vroeger, toen we winden lieten in de tentcabine en we wapperden met onze slaapzakken.

 

Dinsdag 14 juli 2020 (9:46u)

We hebben met Mary afgesproken bij het Van der Valk Hotel in Dordrecht.

‘Fijn in het midden tussen Brabant en Rotterdam in’, had Mary gezegd. Een paar dagen geleden had zij het papierwerk opgestuurd. Als we vragen hadden, konden we die bij de afspraak doornemen.

‘Op weg naar je jongensdroom’, zei Anita in de auto waarmee zij onbedoeld de titel voor mijn dagboek in het leven had geroepen.

Mijn jongensdroom begon feitelijk op 16 december 1981 toen ik voor mijn twaalfde verjaardag een schrijfmachine kreeg. Ik was gek op schrijven, maar eigenlijk toch vooral op woorden. Het waren de woorden waarmee ik schriftjes vol schreef. Over Feyenoord, Bennie Wijnstekers was mijn held. Over de Tour, Joop Zoetemelk was mijn held. En over schaatsen, Hilbert van der Duim was mijn held.

Ik was tot mijn elfde gek op woorden. Na mijn twaalfde werd ik echter nog gekker op het geluid van de woorden – dat van de letterarmen van mijn schrijfmachine die ik als mitrailleurvuur op het papier afvuurde. Ratelen moest mijn schrijfmachine, de inhoud van de tekst was van ondergeschikt belang. Aan het eind van de zin klonk een belletje. Dan gaf ik een hengst aan de hendel waardoor de wagen terugschoot en ik door kon tikken. Het was de kunst dat de letterarmen niet verstrikt zouden raken. Dan ging je te snel.

‘We zijn er’, zegt Anita.

In de achteruitkijkspiegel zie ik hoe Mary het trapportaal van het Van der Valk oploopt.

‘Quatorze Juillet! Spookrijden gaan we, kommop!’

 

Dinsdag 14 juli 2020 (10:23u)

Ik heb mijn intro-zegje gedaan. Over mijn liefde voor taal. Voor woorden. Voor het geluid van woorden. Voor schrijven. Hoe het allemaal begon. Schriftjes, woorden, je handschrift uitproberen (lees: dat dat sierlijk-regelmatige van je vader kopiëren), de kletterende letterarmen.

Erg gestructureerd zal het niet geklonken hebben, ben ik bang. Eenmaal op gang laat ik de interpuncties varen en ga ik kopje onder in de overvloed aan uitroeptekens.

Hoe maak ik Mary het feitelijke begin duidelijk?

Die toverachtige goal van Bennie Wijnstekers tegen PSV, die wedstrijd van 13 maart 1982 uiteraard, het stond 1-1, jij in je pyjama op zaterdagavond en toen die pegel van Bennie, en dat je dát moment dus wilde beschrijven, omdat je sportverslaggever wilde worden (nee zóu worden, op zeker), dát moment dus, en dat dát dus niet lukte, waardoor je in paniek raakte omdat je voelde dat je tekortkwam.

‘Vind je dat ook geen goed idee Marco?’, vraagt Mary me.

‘Pardon?’

 

Dinsdag 14 juli 2020 (11:05u)

Gelukkig let Anita beter op dan ik. Haar gesprek met Mary was een schaal die ik zojuist per abuis uit mijn handen heb laten vallen. Mijn aandacht ligt nu in scherven (bibliotheek, boldotcom, ako, omslag, contract, boekprijs, redactrice, factchecking, feestje, decembermaand) overal en nergens. De lijm is zoek en de schade onverzekerbaar.

‘Hoe gaat dat dan precies Mary?’

‘Je moet nu een locatie zoeken voor je boekpublicatie. Redelijk snel ja. Denk aan een kroeg. Een restaurant. Een bedrijfsruimte. Aan de hand dáárvan moeten jullie een gastenlijst samenstellen.’

Het had in eerste instantie iets van een afzwaaier, die goal van Wijnstekers. Wat bezielde hem toen hij zo verwoestend uithaalde? Als twaalfjarige probeerde ik mij te verplaatsen in Bennie’s hoofd en toen… toen ging het vanzelf. Het moment was pure magie. Ik kon mij voor het eerst in mijn leven levensecht inleven in iets, iemand, een moment. Ik lag in bed en voelde -met mijn ogen dicht- hoe ik de bal perfect met buitenkant-rechts raakte. Ik voelde hoe de bal een zweefvlucht maakte en zag hoe de bal in het doel belandde. Ik kon zelfs het geluid van de bal in het net (en diens bolling!) beschrijven.
De beleving was zo intens, zo levensecht, dat ik in bed zelfs kon juichen als Bennie Wijnstekers. Ik deed mijn bureaulampje aan en zette me achter de schrijfmachine. Het kon niet langer wachten. Ik zag één ding over het hoofd: het geluid van het gehamer van de letterarmen. Het was nog voor middernacht, mijn ouders waren uiteraard nog op, maar de bedtijden werden met militair regime in stand gehouden.

‘Wat doe jij nou?’, zei mijn vader met de deurknop nog in zijn hand, ‘doe jij eens héél vlug je licht uit en ga slapen!’

‘Dus… gaan we het zo doen?’, vraagt Mary.

‘Ja is prima’, lieg ik uit het vuistje.

‘OK’, zegt Mary, ‘dan zie ik de definitieve tekst graag vanmiddag of morgenochtend. En dan gaat ie daarna naar de redactrice.’

 

Woensdag 15 juli 2020 (21:16u)

Ik heb de laatste wijzigingen van mijn zus Liliane in de tekst aangebracht. Ze had sowieso aardig wat grammaticale foutjes gevonden, maar haar inhoudelijke suggesties waren voor mij zwaarwegender.

‘Wat vond je het moeilijkst?’, hadden zowel Mary als Liliane gevraagd.

‘De dosering’, luidde mijn antwoord.

Om 21:16u zend ik het gecorrigeerde manuscript naar Mary. Daarna kijk ik naar de foto’s van het ondertekenen van de contracten van gisteren in Hotel Van Der Valk. Daarmee was de trein in gang gezet met Mary en Anita als machinist. Ik ben passagier die alle tussenstations moet dulden zonder uitzicht op het eindstation. Ik overlas de overweldigende reacties op social media met een gelukzalige maar nerveuze glimlach. Zoals je lacht in de achtbaan, wachtend op het moment van ontlading.

‘Je mag vanaf nu niets meer openbaren over je verhaal. Niets. Tegen niemand niet. Niets over het plot, niets over de titel, niets over je hoofdpersonen. Het is belangrijk dat je dat ook laat weten aan de mensen die het gelezen hebben of iets van je boek hebben gehoord.’

Schrijven is als naaktlopen over de Lijnbaan. Je wilt het niet, maar het móet. Het moet niet, maar je wílt het.

Het aller-, allerliefste.


 

 

***

BEGIN DAGBOEK


Ergens, ooit, eens, toen

‘Ik weet wat ik wil, mama. Maar ik weet niet hoe. Het is teveel.’

 

Donderdag 18 juni 2020, 10:23u

Er zijn 18.408 dagen voor nodig geweest. 18.408 Dagen zijn ruim 2.635 weken, 606 maanden en 50 en een half levensjaren.

Zo lang moest het dus duren alvorens ik, gesteund door vrouw en kinderen, een mail stuur aan Mary, eigenaresse van Adoremi Uitgeverij, waarin ik schrijf dat ik een roman heb geschreven. Of ze het manuscript wil lezen. Maar dat je het ook kunt voorstellen dat ze het niet wil lezen.

 

Donderdag 18 juni 2020, 11:34u

Mary heeft mijn mailtje beantwoord. Ik zet de muziek uit.

‘Aniet! Mary heeft geantwoord!’

‘En?’, roept Anita vanuit de keuken.

‘Weet ik niet. Lees jij maar.’

‘Jij ook altijd.’

Ze zit achter de laptop. Ik doe alsof ik in de keuken koffie zet. In realiteit zet ik de muziek harder om Anita’s antwoord niet te hoeven horen. One teleurstelling a day keeps the doctor away.

‘En?’, vraag ik nu op mijn beurt.

‘Mar, ze wil het manuscript lezen. Een hoofdstuk althans. Stap één! Gefeliciteerd.’

 

Donderdag 18 op vrijdag 19 juni 2020, ergens in de nacht

Ik kan niet slapen. Natuurlijk niet. Ik heb de eerste twee hoofdstukken gemaild naar Mary. Daarna herlas ik die hoofdstukken door de ogen van Mary. Lachten de ogen? Waren de ogen benieuwd naar de volgende pagina? Was het voor Mary de pageturner die het boek moet zijn (de enige pretentie die ik mijn boek toesta te hebben)? Nee natuurlijk niet. Het wordt niets. Helemaal niets. Want het ís niets. Alles wat ooit iets was, is sowieso gedoemd om niets te worden. Komt door mijn brein dat in staat is alles kapot te analyseren. Totdat er niets meer van de oorspronkelijkheid overblijft. Weg spontaniteit. Je verhaal is niet goed genoeg. Jij bent niet goed genoeg.

Pageturner… lik toch m’n reet luldebehanger.

 

Vrijdag 19 juni 2020, 10:49u

Mary heeft me weer gemaild, maar ik durf de mail wederom niet te openen. Anita is er niet. Bloedprikken. Ergens in de buurt. Ze had al lang terug moeten zijn. Hoe kan iemand van mij verlangen een mail te openen waar mijn leven van afhangt?

Wat heb je te verliezen, hadden Anita en de kinderen me gevraagd.

Alles, had ik naar waarheid moeten antwoorden, maar dat zei je natuurlijk niet. Nee lekker die relativeringskaart uitspelen. Op veilig.

Dat gaat er door het hoofd van een man die zich weigert schrijver te noemen, omdat je pas schrijver bent als je naam verschijnt bij een zoekopdracht bij Boldotcom. Deze man, deze luldebehanger, deze gediplomeerd Boerenlul van Zuid, heeft nu niet de moed om een mailtje te openen.

Maar het moet. Want Anita is er niet.

Waarom moest Anita trouwens bloedprikken? En had dat niet kunnen wachten?

 

Zaterdag 20 juni 2020, 9:02u

Ik heb het volledige manuscript naar Mary gemaild. Ze was benieuwd naar het vervolg. De rest van de mail las ik gisteren in fases.

‘Stap twee Mar!’, zei Anita tijdens het eten dat me matig smaakte.

‘Na stap drie houdt alles op. Het wordt niets.’

‘Gezellig ben jij. Je bent nu zó dichtbij je jongensdroom. Dit heb je zó graag gewild. Dit verhaal, jóuw verhaal, zat al vier jaar in je hoofd. Je hebt er zó hard aan gewerkt.’

‘Aniet, geloof me nou. Het wordt niets, want het is niets.’

‘Alex twijfelt ook altijd. Dat weet je. Zo vaak over gehad. En al je andere voorbeelden ook. Bob. Bruce. Ook nooit tevreden. Hebben zij dus ook. Geeft dus helemaal niet. Doe nou ’s gezellig. Waarom vier jij nooit? Dit wilde je zó graag. Dit was je jongensdroom.’

‘Met dergelijke grootheden mag je me niet vergelijken.’

‘Het gaat om je jongensdroom. Die staat los van populariteit.’

 

Ergens diezelfde week, ‘s nachts

Het klopt. Aniet heeft gelijk. Je eigen roman. Dat was en is je jongensdroom. Mary heeft het manuscript gelezen, ze zoekt nu naar woorden hoe ze de pijn kan verzachten. De vergrotende trap van pijn is de teleurstelling. De overtreffende trap van pijn is de vernedering.

Dat is trouwens wel het grote voordeel van het niets. Niets is minder dan brandhout: het is het as van brandhout.

 

Zondag 28 juni 2020, 14:20u

We zijn op visite bij Fabienne en Jeremy die gezamenlijk hun verjaardagen vieren.

Mijn iPhone gaat af. Het is een mailtje van Mary. Er is geen mooiere voornaam dan Mary, de eerste afgeleide van de Heilige Maagd Maria. Ik verplicht mijzelf de mail te openen, zoals je ook een pleister er in één keer moet aftrekken. Hoe sneller de bittere pil is doorgeslikt, hoe zoeter de wijn zal smaken. Ik ga het op een zuipen zetten, de kater zal morgenochtend dubbel in kracht en zwaar verdiend zijn.

De gesprekken gaan over Corona. Mondkapjes.

Vlug lees ik de mail van Mary.

Ze gaat het uitgeven!

Ik kan wel janken.

 

Zondag 28 juni 2020, 15:03u

‘Als jij het niet doet, doe ik het’, sist Anita geïrriteerd. Ik heb haar het mailtje laten lezen.

‘Geweldig!’, had Anita met tranen in haar ogen gezegd. Haar zoektocht naar blijdschap in mijn ogen was kort en vergeefs geweest. Anita’s leven aan mijn zijde valt lang niet mee. Ik romantiseer graag, maar mijn schrijverij niet. Juist niet. De meest onschuldige verhalen gaan gepaard met gevloek en getier. Het is nooit goed of het deugt niet.

‘Zeg het!’

‘Nee.’

‘Anders doe ik het.’

Ons gefluister wordt steeds luider, totdat Estelle –wie anders- ingrijpt.

‘Hey hallo. Wat is er? Doe ’s gezellig!’

‘Je vader heeft wat te zeggen’, zegt Anita, voor haar doen luid, in ieder geval zó luid dat alle andere gesprekken verstillen.

‘Wat dan?’, vraagt Jeremy bezorgd.

Ik zwijg als het graf. Lafaard. Anita is mijn spreekbuis, zelfs als haar buikspreekpop deug ik niet.

Anita doorbreekt de stilte:

‘Mar z’n boek wordt uitgegeven!’

De huiskamer komt na een korte stilte tot leven. Applaus en Coronaproof-omhelzingen.

Drie keer slikken, tien keer jezelf vervloeken om een echte Hendriks te blijven. Zo eentje die fier overeind blijft, no matter what.

Like a Rolling Stone van Dylan staat op. Ik weet mijzelf te herpakken. Door Bob. How does it feel?

‘Hoe voelt dat nou? Jouw boek wordt uitgegeven!’, roept Anita, ‘dat pakken ze je nooit meer af!’

Pas ‘s avonds in bed vraag ik me, rozig van de rode wijn, af wie Anita bedoeld zou kunnen hebben met “ze”. Zou er iemand zijn die mij het boek misgund?

‘Je moet alles niet zo letterlijk nemen’, zegt Anita alsof ze mijn gedachten kan lezen. Hetgeen na een krappe dertig jaar ook zo is.

 

 

-