“To dream is not enough
You have to fullfill your dream.”
– Paolo Coelho

 

“All I can do is me be,
Whoever that is.”
– Bob Dylan

***

 

In dit dagboek Jongensdroom houd ik alle ervaringen bij voorafgaand aan de publicatie van mijn debuutroman in december dit jaar. De laatste post verschijnt steeds bovenaan – om de chronologie te respecteren verplaats ik hem naar beneden zodra er weer een nieuwe post is. 

Wil je het dagboek vanaf het begin lezen? Klik dan hier

Veel leesplezier toegewenst.

 

***

Voorjaar 2010

Op 14 augustus 2008 beklom ik voor de eerste keer in mijn leven met de fiets een berg. De keuze viel maar meteen op de Mont Ventoux. Twee jaar later liep ik ter gelegenheid van mijn 40e verjaardag de Rotterdam Marathon.

De ervaringen van die twee evenementen bundelde ik in de dagboekachtige tweeluik Een Briljante Vermomming, uiteraard verwijzend naar de gelijknamige song van Bruce Springsteen. Het was ook toen al een familieprojectje: Fabienne, toen vijftien jaar, verzorgde de fotografie voor de omslag en de twaalfjarige Estelle schreef het voorwoord.

 

 

Alle angsten, twijfels en overwinningen kregen een plaatsje in Een Briljante Vermomming. Uiteraard was het aantal flaters en onhandigheden wederom ontelbaar – als vanouds ging ik zonder bandjes kopje onder in de poel van de zelfspot.

Een Briljante Vermomming droeg ik op aan mijn schoonvader Huub die enkele weken voor aanvang van de marathon overleed. Ik had een bijzonder goede band met hem. Van mijn drie vaders was hij de minst strenge. De nachten vulden zich met de tranen van Anita die met het overlijden van haar vader het lijntje naar boven voorgoed doorgeknipt zag.

De Rotterdam marathon liep ik aan de zijde van Roger, een ervaren marathonloper. Ik was (ben) geen loper. De marathon was een ode aan de stad die ik zo liefheb. We trainden op zondagochtenden waarbij ik me de gewoonte aanleerde om de door ons zorgvuldig ontweken kotsplakkaten van stappende nachtbrakers haarfijn te beschrijven. De marathon voerde langs het afscheidscentrum waar Huub opgebaard lag. ‘Doe je het niet te gek jongen’, waren zo ongeveer de laatste woorden die hij uitsprak. Hij wist dat Magere Hein hem die nacht zou bezoeken.

Woorden van gelijke strekking had mijn vader twee jaar daarvoor gesproken toen ik hem vanaf de camping belde om te zeggen dat ik morgen de Ventoux zou gaan beklimmen. Hij kon zijn trots niet uitspreken: de emoties bleven ergens in het strottenhoofd hangen.

De dag na de beklimming werd ik in de vroege ochtend in de caravan wakker gebeld. Ik schrok me de pleuris. Het was Sander de Heer van Radio 2. Ik was live in de uitzending. Ik werd gefeliciteerd met de beklimming van de Ventoux. En iemand had een plaatje voor mij aangevraagd.

Die iemand was Lex en dat plaatje was Brilliant Disguise.

 

14 augustus 2008, Mont Ventoux

Zaterdag 3 September 2011

Lex had de kosten voor het in eigen beheer uitgegeven Een Briljante Vermomming voor zijn rekening genomen. Hij vreesde geen carrièreshift, integendeel, hij juichte het toe. Niet mijn moeder (zij schaamt zich regelmatig voor mijn schrijfsels, maar dat zegt ze nooit), maar Lex was mijn grootste fan. Hij kon hele stukken tekst uit zijn hoofd.

Op 3 september 2011 werd ik officieel benoemd tot directeur van ons bedrijf. Op een groots door Lex georganiseerd feest in Eindhoven had hij mijn held Alex Roeka uitgenodigd. Nadat Alex, akoestisch begeleid door Maarten Kooijman, het beladen Ik Ben Een Renner had afgerond, vocht ik tegen de tranen en waren mijn twee vaders voor een kort moment zoek (Lex en mijn vader hadden elkaar huilend omhelsd in Lex’ directiekamer). Lex bleek een extra kopie van Een Briljante Vermomming te hebben gemaakt. Voor Alex. Ik mocht het persoonlijk aan ’s lands grootste singer-songwriter overhandigen.

Het idee dat Alex mijn boek, mijn fucking boek, in handen had, vervulde mij met onnoemelijk veel trots. Er zit een boek in jou had hij nadien tijdens een fietstocht in de Ardennen gezegd. Dat legde ik uit als compliment, want inhoudelijk was hij nooit ingegaan op Een Briljante Vermomming en ik durfde er niet naar te vragen.

 

 

 

3 september 2011

Met Lex (Eindhoven, 3 september 2011)

Overhandiging van Een Briljante Vermomming aan Alex

Musica!

 

Vrijdag 23 oktober 2020 (21:41u)

Het zit erop. We hebben de documentaryfilm Letter to You van Bruce Springsteen bekeken. In zowat alles lijkt hij voorkennis te hebben. In ieder woord dat hij uitspreekt of zingt lijkt hij een verband te leggen met de lancering van mijn boek. Wéér komt hij precies op het goede moment in mijn leven voorbij, met nieuw werk dat ik als levensadem inhaleer.

Als galopperende paarden denderden ze voorbij. Vriendschap. De dood. Groeven. Leven. Dromen. Gebeden. Afgronden. Geesten. Afscheid nemen. Wederkeren. Duizend Gitaren. Bob Dylan. Proosten. En plezier, heel veel plezier dat -zolang het echt is- altijd zeer doet.

Het is allemaal wat veel.

Alleen de doos tissues brengt redding. En de nabijheid van Anita en mijn kinderen die, door de nakende volwassenheid, Bruce meer en meer ervaren door de ogen en oren van hun ouders. The older you get, the more it means.

 

Maandag 26 oktober 2020 (20:47u)

Vrijdag 30 oktober 2020 worden de titel en synopsis van mijn eerste officiële roman kenbaar gemaakt. Achter de schermen werd en wordt hard gewerkt aan de laatste puntjes op de laatste ietjes. Intussen zijn de redactrice (die ik nog altijd Beneden Medion noem, haar naam is nog altijd onbekend en die mystiek moet vooral intact blijven), Mary en Roel genoegzaam bekend met mijn halsstarrigheid. Wat zullen ze blij zijn als ze dadelijk van mij af zijn. Mary voorop. Pfffff wat een bevalling is dit, appte ze eerder vanavond. Ik voelde me beroerd.

Nog vier dagen.

Ik mis mijn vader, Huub en Lex. Maar niet getreurd, want mijn drie vaders bezoeken ons in dromen, aldus Bruce Springsteen.

En Bruce heeft altijd gelijk.

 

Wim Hendriks (Rotterdam 4 april 1940 – Rotterdam 30 mei 2019)

Huub de Hoog (Rotterdam 24-09-1932 – Rotterdam 17-03-2010)

 

Lex Stockx (Helmond 7 januari 1955 – Helmond 25 juli 2013)

 

Maandag 26 oktober 2020 (21:22u)

Mary stuurt me twee GIF-jes. Eén beangstigende van stoere bouwvakkers die ergens een enorme klap op geven. Op het tweede GIF-je zijn flessen champagne te zien. Het is overduidelijk: op maandag 26 oktober 2020 is de tekst definitief naar de drukker gegaan. Mary en de redactrice Beneden Medion verdienen een oorkonde, een medaille, een standbeeld en een lintje.

Volgens Mary is er geen weg meer terug. Was ik maar eens blij.

 

***

 

BEGIN DAGBOEK


Ergens, ooit, eens, toen

‘Ik weet wat ik wil, mama. Maar ik weet niet hoe. Het is teveel.’

 

Donderdag 18 juni 2020, 10:23u

Er zijn 18.408 dagen voor nodig geweest. 18.408 Dagen zijn ruim 2.635 weken, 606 maanden en 50 en een half levensjaren.

Zo lang moest het dus duren alvorens ik, gesteund door vrouw en kinderen, een mail stuur aan Mary, eigenaresse van Adoremi Uitgeverij, waarin ik schrijf dat ik een roman heb geschreven. Of ze het manuscript wil lezen. Maar dat je het ook kunt voorstellen dat ze het niet wil lezen.

 

Donderdag 18 juni 2020, 11:34u

Mary heeft mijn mailtje beantwoord. Ik zet de muziek uit.

‘Aniet! Mary heeft geantwoord!’

‘En?’, roept Anita vanuit de keuken.

‘Weet ik niet. Lees jij maar.’

‘Jij ook altijd.’

Ze zit achter de laptop. Ik doe alsof ik in de keuken koffie zet. In realiteit zet ik de muziek harder om Anita’s antwoord niet te hoeven horen. One teleurstelling a day keeps the doctor away.

‘En?’, vraag ik nu op mijn beurt.

‘Mar, ze wil het manuscript lezen. Een hoofdstuk althans. Stap één! Gefeliciteerd.’

 

Donderdag 18 op vrijdag 19 juni 2020, ergens in de nacht

Ik kan niet slapen. Natuurlijk niet. Ik heb de eerste twee hoofdstukken gemaild naar Mary. Daarna herlas ik die hoofdstukken door de ogen van Mary. Lachten de ogen? Waren de ogen benieuwd naar de volgende pagina? Was het voor Mary de pageturner die het boek moet zijn (de enige pretentie die ik mijn boek toesta te hebben)? Nee natuurlijk niet. Het wordt niets. Helemaal niets. Want het ís niets. Alles wat ooit iets was, is sowieso gedoemd om niets te worden. Komt door mijn brein dat in staat is alles kapot te analyseren. Totdat er niets meer van de oorspronkelijkheid overblijft. Weg spontaniteit. Je verhaal is niet goed genoeg. Jij bent niet goed genoeg.

Pageturner… lik toch m’n reet luldebehanger.

 

Vrijdag 19 juni 2020, 10:49u

Mary heeft me weer gemaild, maar ik durf de mail wederom niet te openen. Anita is er niet. Bloedprikken. Ergens in de buurt. Ze had al lang terug moeten zijn. Hoe kan iemand van mij verlangen een mail te openen waar mijn leven van afhangt?

Wat heb je te verliezen, hadden Anita en de kinderen me gevraagd.

Alles, had ik naar waarheid moeten antwoorden, maar dat zei je natuurlijk niet. Nee lekker die relativeringskaart uitspelen. Op veilig.

Dat gaat er door het hoofd van een man die zich weigert schrijver te noemen, omdat je pas schrijver bent als je naam verschijnt bij een zoekopdracht bij Boldotcom. Deze man, deze luldebehanger, deze gediplomeerd Boerenlul van Zuid, heeft nu niet de moed om een mailtje te openen.

Maar het moet. Want Anita is er niet.

Waarom moest Anita trouwens bloedprikken? En had dat niet kunnen wachten?

 

Zaterdag 20 juni 2020, 9:02u

Ik heb het volledige manuscript naar Mary gemaild. Ze was benieuwd naar het vervolg. De rest van de mail las ik gisteren in fases.

‘Stap twee Mar!’, zei Anita tijdens het eten dat me matig smaakte.

‘Na stap drie houdt alles op. Het wordt niets.’

‘Gezellig ben jij. Je bent nu zó dichtbij je jongensdroom. Dit heb je zó graag gewild. Dit verhaal, jóuw verhaal, zat al vier jaar in je hoofd. Je hebt er zó hard aan gewerkt.’

‘Aniet, geloof me nou. Het wordt niets, want het is niets.’

‘Alex twijfelt ook altijd. Dat weet je. Zo vaak over gehad. En al je andere voorbeelden ook. Bob. Bruce. Ook nooit tevreden. Hebben zij dus ook. Geeft dus helemaal niet. Doe nou ’s gezellig. Waarom vier jij nooit? Dit wilde je zó graag. Dit was je jongensdroom.’

‘Met dergelijke grootheden mag je me niet vergelijken.’

‘Het gaat om je jongensdroom. Die staat los van populariteit.’

 

Ergens diezelfde week, ‘s nachts

Het klopt. Aniet heeft gelijk. Je eigen roman. Dat was en is je jongensdroom. Mary heeft het manuscript gelezen, ze zoekt nu naar woorden hoe ze de pijn kan verzachten. De vergrotende trap van pijn is de teleurstelling. De overtreffende trap van pijn is de vernedering.

Dat is trouwens wel het grote voordeel van het niets. Niets is minder dan brandhout: het is het as van brandhout.

 

Zondag 28 juni 2020, 14:20u

We zijn op visite bij Fabienne en Jeremy die gezamenlijk hun verjaardagen vieren.

Mijn iPhone gaat af. Het is een mailtje van Mary. Er is geen mooiere voornaam dan Mary, de eerste afgeleide van de Heilige Maagd Maria. Ik verplicht mijzelf de mail te openen, zoals je ook een pleister er in één keer moet aftrekken. Hoe sneller de bittere pil is doorgeslikt, hoe zoeter de wijn zal smaken. Ik ga het op een zuipen zetten, de kater zal morgenochtend dubbel in kracht en zwaar verdiend zijn.

De gesprekken gaan over Corona. Mondkapjes.

Vlug lees ik de mail van Mary.

Ze gaat het uitgeven!

Ik kan wel janken.

 

Zondag 28 juni 2020, 15:03u

‘Als jij het niet doet, doe ik het’, sist Anita geïrriteerd. Ik heb haar het mailtje laten lezen.

‘Geweldig!’, had Anita met tranen in haar ogen gezegd. Haar zoektocht naar blijdschap in mijn ogen was kort en vergeefs geweest. Anita’s leven aan mijn zijde valt lang niet mee. Ik romantiseer graag, maar mijn schrijverij niet. Juist niet. De meest onschuldige verhalen gaan gepaard met gevloek en getier. Het is nooit goed of het deugt niet.

‘Zeg het!’

‘Nee.’

‘Anders doe ik het.’

Ons gefluister wordt steeds luider, totdat Estelle –wie anders- ingrijpt.

‘Hey hallo. Wat is er? Doe ’s gezellig!’

‘Je vader heeft wat te zeggen’, zegt Anita, voor haar doen luid, in ieder geval zó luid dat alle andere gesprekken verstillen.

‘Wat dan?’, vraagt Jeremy bezorgd.

Ik zwijg als het graf. Lafaard. Anita is mijn spreekbuis, zelfs als haar buikspreekpop deug ik niet.

Anita doorbreekt de stilte:

‘Mar z’n boek wordt uitgegeven!’

De huiskamer komt na een korte stilte tot leven. Applaus en Coronaproof-omhelzingen.

Drie keer slikken, tien keer jezelf vervloeken om een echte Hendriks te blijven. Zo eentje die fier overeind blijft, no matter what.

Like a Rolling Stone van Dylan staat op. Ik weet mijzelf te herpakken. Door Bob. How does it feel?

‘Hoe voelt dat nou? Jouw boek wordt uitgegeven!’, roept Anita, ‘dat pakken ze je nooit meer af!’

Pas ‘s avonds in bed vraag ik me, rozig van de rode wijn, af wie Anita bedoeld zou kunnen hebben met “ze”. Zou er iemand zijn die mij het boek misgund?

‘Je moet alles niet zo letterlijk nemen’, zegt Anita alsof ze mijn gedachten kan lezen. Hetgeen na een krappe dertig jaar ook zo is.

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘Schrijven is als naaktlopen over de Lijnbaan, mama. Ik wil het niet, maar het is alsof het móet. Of het moet niet, maar ik wíl het zo graag. Het is teveel.’

 

De nacht van zondag 12 juli op maandag 13 juli 2020

Tot even voor middernacht heb ik met mijn zus Liliane haar op- en aanmerkingen doorgenomen. Haar notities stonden in haar agenda en op de voor- en achterkant van enveloppen van de KPN.

Mijn zus is, naast mijn moeder, ontegenzeggelijk het meest belezen van onze familie. Ooit zal ze redactrice worden. Of bibliothecaresse. Of gaat ze alsnog Nederlands studeren. Haar feitenkennis is ongeëvenaard, haar Nederlands perfect. Bovendien heeft ze last van goede smaak en vooral dat laatste is nodig voor de afronding van mijn manuscript. Haar mening doet ertoe.

Van de vermoeidheid kregen we de slappe lach. Zoals vroeger, toen we winden lieten in de tentcabine en we wapperden met onze slaapzakken.

 

Dinsdag 14 juli 2020 (9:46u)

We hebben met Mary afgesproken bij het Van der Valk Hotel in Dordrecht.

‘Fijn in het midden tussen Brabant en Rotterdam in’, had Mary gezegd. Een paar dagen geleden had zij het papierwerk opgestuurd. Als we vragen hadden, konden we die bij de afspraak doornemen.

‘Op weg naar je jongensdroom’, zei Anita in de auto waarmee zij onbedoeld de titel voor mijn dagboek in het leven had geroepen.

Mijn jongensdroom begon feitelijk op 16 december 1981 toen ik voor mijn twaalfde verjaardag een schrijfmachine kreeg. Ik was gek op schrijven, maar eigenlijk toch vooral op woorden. Het waren de woorden waarmee ik schriftjes vol schreef. Over Feyenoord, Bennie Wijnstekers was mijn held. Over de Tour, Joop Zoetemelk was mijn held. En over schaatsen, Hilbert van der Duim was mijn held.

Ik was tot mijn elfde gek op woorden. Na mijn twaalfde werd ik echter nog gekker op het geluid van de woorden – dat van de letterarmen van mijn schrijfmachine die ik als mitrailleurvuur op het papier afvuurde. Ratelen moest mijn schrijfmachine, de inhoud van de tekst was van ondergeschikt belang. Aan het eind van de zin klonk een belletje. Dan gaf ik een hengst aan de hendel waardoor de wagen terugschoot en ik door kon tikken. Het was de kunst dat de letterarmen niet verstrikt zouden raken. Dan ging je te snel.

‘We zijn er’, zegt Anita.

In de achteruitkijkspiegel zie ik hoe Mary het trapportaal van het Van der Valk oploopt.

‘Quatorze Juillet! Spookrijden gaan we, kommop!’

 

Dinsdag 14 juli 2020 (10:23u)

Ik heb mijn intro-zegje gedaan. Over mijn liefde voor taal. Voor woorden. Voor het geluid van woorden. Voor schrijven. Hoe het allemaal begon. Schriftjes, woorden, je handschrift uitproberen (lees: dat dat sierlijk-regelmatige van je vader kopiëren), de kletterende letterarmen.

Erg gestructureerd zal het niet geklonken hebben, ben ik bang. Eenmaal op gang laat ik de interpuncties varen en ga ik kopje onder in de overvloed aan uitroeptekens.

Hoe maak ik Mary het feitelijke begin duidelijk?

Die toverachtige goal van Bennie Wijnstekers tegen PSV, die wedstrijd van 13 maart 1982 uiteraard, het stond 1-1, jij in je pyjama op zaterdagavond en toen die pegel van Bennie, en dat je dát moment dus wilde beschrijven, omdat je sportverslaggever wilde worden (nee zóu worden, op zeker), dát moment dus, en dat dát dus niet lukte, waardoor je in paniek raakte omdat je voelde dat je tekortkwam.

‘Vind je dat ook geen goed idee Marco?’, vraagt Mary me.

‘Pardon?’

 

Dinsdag 14 juli 2020 (11:05u)

Gelukkig let Anita beter op dan ik. Haar gesprek met Mary was een schaal die ik zojuist per abuis uit mijn handen heb laten vallen. Mijn aandacht ligt nu in scherven (bibliotheek, boldotcom, ako, omslag, contract, boekprijs, redactrice, factchecking, feestje, decembermaand) overal en nergens. De lijm is zoek en de schade onverzekerbaar.

‘Hoe gaat dat dan precies Mary?’

‘Je moet nu een locatie zoeken voor je boekpublicatie. Redelijk snel ja. Denk aan een kroeg. Een restaurant. Een bedrijfsruimte. Aan de hand dáárvan moeten jullie een gastenlijst samenstellen.’

Het had in eerste instantie iets van een afzwaaier, die goal van Wijnstekers. Wat bezielde hem toen hij zo verwoestend uithaalde? Als twaalfjarige probeerde ik mij te verplaatsen in Bennie’s hoofd en toen… toen ging het vanzelf. Het moment was pure magie. Ik kon mij voor het eerst in mijn leven levensecht inleven in iets, iemand, een moment. Ik lag in bed en voelde -met mijn ogen dicht- hoe ik de bal perfect met buitenkant-rechts raakte. Ik voelde hoe de bal een zweefvlucht maakte en zag hoe de bal in het doel belandde. Ik kon zelfs het geluid van de bal in het net (en diens bolling!) beschrijven.
De beleving was zo intens, zo levensecht, dat ik in bed zelfs kon juichen als Bennie Wijnstekers. Ik deed mijn bureaulampje aan en zette me achter de schrijfmachine. Het kon niet langer wachten. Ik zag één ding over het hoofd: het geluid van het gehamer van de letterarmen. Het was nog voor middernacht, mijn ouders waren uiteraard nog op, maar de bedtijden werden met militair regime in stand gehouden.

‘Wat doe jij nou?’, zei mijn vader met de deurknop nog in zijn hand, ‘doe jij eens héél vlug je licht uit en ga slapen!’

‘Dus… gaan we het zo doen?’, vraagt Mary.

‘Ja is prima’, lieg ik uit het vuistje.

‘OK’, zegt Mary, ‘dan zie ik de definitieve tekst graag vanmiddag of morgenochtend. En dan gaat ie daarna naar de redactrice.’

 

Woensdag 15 juli 2020 (21:16u)

Ik heb de laatste wijzigingen van mijn zus Liliane in de tekst aangebracht. Ze had sowieso aardig wat grammaticale foutjes gevonden, maar haar inhoudelijke suggesties waren voor mij zwaarwegender.

‘Wat vond je het moeilijkst?’, hadden zowel Mary als Liliane gevraagd.

‘De dosering’, luidde mijn antwoord.

Om 21:16u zend ik het gecorrigeerde manuscript naar Mary. Daarna kijk ik naar de foto’s van het ondertekenen van de contracten van gisteren in Hotel Van Der Valk. Daarmee was de trein in gang gezet met Mary en Anita als machinist. Ik ben passagier die alle tussenstations moet dulden zonder uitzicht op het eindstation. Ik overlas de overweldigende reacties op social media met een gelukzalige maar nerveuze glimlach. Zoals je lacht in de achtbaan, wachtend op het moment van ontlading.

‘Je mag vanaf nu niets meer openbaren over je verhaal. Niets. Tegen niemand niet. Niets over het plot, niets over de titel, niets over je hoofdpersonen. Het is belangrijk dat je dat ook laat weten aan de mensen die het gelezen hebben of iets van je boek hebben gehoord.’

Schrijven is als naaktlopen over de Lijnbaan. Je wilt het niet, maar het móet. Het moet niet, maar je wílt het.

Het aller-, allerliefste.


 

Ergens, ooit, eens, toen

‘Ik heb heel mijn leven al het gevoel dat ik met een mijnwerkerslamp op loop, mama. Alleen is de mijnwerkerslamp geen mijnwerkerslamp maar een filmcamera die me verplicht alles te registreren. Het is teveel.’


Vrijdag 31 juli 2020 (14:21u)

Ik ben deze snikhete vrijdagmiddag in gevecht met de Col du Portel als een appje van Mary verschijnt op mijn Apple Watch. Het lijkt me een goed moment om even uit te blazen. Het is bepaald niet steil, het stijgt met zo’n 5 à 6%, maar ik heb het gevoel dat het roetzwarte asfalt me wil opslokken. De wind-mee is zwak en allesbehalve verkoelend, de wind-tegen is hard en even warm en ongewenst als valse lucht na zwaar Aziatisch tafelen.

‘Het geredigeerde script zit in jouw mail, met een toelichting. Laat me weten of je er uitkomt zo.’, appt me Mary me, terwijl het zweet me van alle kanten uitbreekt. Dat komt niet alleen vanwege de hitte. Het is vooral de notie dat voor het eerst een “vreemde” het manuscript gelezen heeft.

Ik vervolg mijn strijd met de Col du Portel en bedenk me dat momenten van pure euforie en grenzeloze bravoure zich te vaak te onregelmatig afwisselden met momenten van blinde paniek en angstaanvallen. ’s Morgens ben ik zeker van mijn zaak, ’s middags begint het te knagen, ’s avonds ga ik herschrijven en ’s nachts weet ik zeker dat ik alles ga afblazen. En zo regen de dagen zich al wekenlang aaneen, totdat de weken maanden werden en dit patroon je leven overnam, zoals dat van een soldaat die door vermoeidheid, overmoed en angst het verschil tussen dag en nacht niet langer herkent.

 

Vrijdag 31 juli 2020 (16:01u)

Bij het Lac de Puivert word ik opgewacht door Anita, Estelle en mijn moeder. Mijn hele lichaam trilt en transpireert. Anita helpt me met uitkleden. Alles plakt. Als laatste houdt ze een badlaken om mijn middel zodat ik mijn zwembroek kan aandoen. Ondertussen heb ik al drie blikjes cola en twee nieuw gevulde bidons op, maar het heeft mijn dorst nog niet gestild. Anita heeft een ijskoud blikje Seven-Up voor me geopend terwijl ze speels in mijn blote billen knijpt.

‘Wat ben je onrustig’, glimlacht Anita quasi-mopperend, ‘blijf nou eens staan!’

De onrust wordt niet veroorzaakt door mijn oververhitte lijf, maar door het appje van Mary.

Alleen weet Anita dat nog niet.

‘Pap, kom je zwemmen?’, vraagt Estelle.

 

Vrijdag 31 juli 2020 (16:07u)

Gelukkig is mijn moeder gaan zwemmen met Estelle, maar het haalt van mijn schuldgevoel slechts deels weg.

‘Mary heeft geappt.’

‘En?’

‘De redactrice heeft het manuscript gelezen.’

‘Ja? En?’

Het is een herhaling van zetten. Anita is weer eens enthousiaster (en vooral nieuwsgieriger) dan ik. Ik voel me er even schuldig over als mijn weigering om met Estelle te gaan zwemmen (later dit jaar, als het teringweer is, bezoeken zomerse demonen mij in de nacht om mij eraan te herinneren dat ik bedankte voor een zwembeurt met Estelle in het azuurblauwe Lac de Puivert).

‘Wat nou en?’, brom ik.

‘Nou níet zo onaardig doen. Wat zei de redactrice van Mary?’

Voorpret is verplichte kost om korte metten te maken met de onzekerheid, maar tot dusver is de lancering van een debuutroman zo ongrijpbaar als een hap lucht.

‘Weet ik niet. Ze heeft me gemaild.’

‘Ben jij dan niet nieuwsgierig?’

 

Vrijdag 31 juli 2020 (16:22u)

‘Wat is er?’, vraagt Estelle die haar natte zwemhaar in een handdoektulband heeft gevlochten.

‘Je vader weet zich bij voorbaat geen raad met de beoordeling van Mary’s redactrice. Bij voorbaat. Hij heeft het niet eens gelezen! Die eigenwijs heeft weer eens een één of ander principe.’

‘Toen je vader in 1961 afzwaaide bij de marine had hij overal uitstekend of uitmuntend staan. Alleen bij karaktereigenschappen stond recalcitrant.

Ik heb geen idee of mijn moeder dit bedoelde als compliment, vaststelling of als waarschuwing.

 

Vrijdag 31 juli 2020 (18:49u)

“Hi Mary zoals je (misschien?) weet ben ik momenteel op vakantie. Is het OK als ik nadien reageer?”, app ik Mary.

Ik ben uiterst content met deze tactische zet naar voren die me wat extra (bedenk)tijd verschaft.

 

Vrijdag 31 juli 2020 (18:56u)

“Ze heeft er wel heel goede puntjes uitgehaald. Maar 98 % is echt heel goed. Ze vond het een goed verhaal! En ze is heel eerlijk. Haar woorden: ik vond het knap geschreven, prachtig taalgebruik, op het ouderwetse af (houd ik van), wat een meeslepend verhaal. Complimenten!”

Mary had mijn schaakzet dus door. Uiteraard wilde ik niet alleen tijd kopen, ik was ook beducht voor een rechtse directe. Dat wist Mary. Daarom stuurde ze de algehele mening van de redactrice erbij. Om mij gerust te stellen.

Niet alleen Anita kan gedachten lezen. Mary ook al.

 

Dinsdag 4 augustus 2020 (10:06u)

“Toch wel de domeinnaam van je titel van je debuut al geregistreerd?”, appt mijn jeugdvriend Roel Kyvelos mij.

“Geen Idee. Moet dat?”, luidt het typische Marco-antwoord. Klokken. Horen. Klepels. Kwijt.

We lopen door een winkelstraat in hartje Toulouse. Ik besluit Roels vraag door te spelen aan Mary. Zij antwoordt me vrijwel direct. Wat ze precies bedoelt me haar antwoord weet ik niet. We lopen kledingzaak in en uit, mondkapje af en aan. Anita vraagt me om niet steeds op mijn mobiel te kijken en dus stuur ik Roel een voice-memo. We moesten maar eens snel afspreken voor een kop koffie. Daarna appt hij me een krantenartikel over de overleden Maarten Biesheuvel. Kippenvel, ondanks de 35 graden.

 

Zaterdag 8 augustus 2020 (23:20u)

Mary heeft me gemaild. Titel van het mailtje Template Binnenwerk. Mijn hart slaat een paar beurten over en haalt dan de verloren pauzes in door als een malle te gaan slaan. Het .pdje van de eerste 45 pagina’s ziet er verdomd profi uit. Het is allemaal net echt.

‘Doe je je mobieltje uit?’, verzucht de nog niet slapende rug van Anita.

Verdomd. We liggen in bed.

Ik hoor graag hoe je erover denkt.
Groetjes! Mary

…zijn de laatste woorden die ik lees. Een slapeloos nachtje ligt voor ons. De mijnwerkerslamp staat onverminderd aan.

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘Ik ben overal bij mama, maar ik ben er nooit echt bij. Ik heb mijzelf opgelegd dat ik moet registreren. Ik weet niet waarom, laat staan dat ik weet voor wie. Het is teveel.’


Woensdag 19 augustus 2020 (9:55u)

Roel is een paar minuten te vroeg. Hij loopt op blauwe badslippers. Op een blauwe spijkerbroek draagt hij een blauw t-shirt. We ellebogen elkaar. Met hem gaat het goed. Met mij gaat het goed. We weten van elkaar dat we niet de waarheid spreken. Althans, niet de volle waarheid.

‘Ik wil filmpjes maken. Voor de lancering. Van jouw boek’, zegt mijn jeugdvriend.

‘Maar je weet nog helemaal niet waar het over gaat.’

‘Klopt. Maar toch wil ik het. Dat voel ik.’

Tot onze spijt luncht hij niet mee. ‘Ik eet maar één keer per dag.’

 

Donderdag 20 augustus 2020 (23:10u)

Ik kan de slaap weer eens niet vatten. Sinds ik op social media kenbaar heb gemaakt dat mijn debuutroman wordt gepubliceerd word ik ongevraagd bestookt met accounts die mij willen leren schrijven.


 

Het geeft te denken. Dat Facebook verbetertips geeft zonder het manuscript te hebben gelezen. Niet dat dat iets uitmaakt. Of Facebook het nu wel of niet heeft gelezen. Ik doe er niets mee. Ik wil mijn onafhankelijke geest vooral onafhankelijk houden. Dat streven is al een hel op zich.

Alle goede bedoelingen van God mag weten wie ten spijt, ik neem niet of nauwelijks tips van derden aan, met mijn eerstelijnsfamilie als de uitzondering die die regel bevestigt. Het is een rotsvast geloof in eigen kunnen dat op niets is gebaseerd. Die tenenkrommende hemeltergende blinde eigenwijsheid zit me vaker dwars dat het me iets oplevert. Het is dan ook allesbehalve stoer bedoeld, maar mijn koppigheid moest bij deze maar eens vastgelegd zijn. Voor het nageslacht. Opa was een ouderwetse eigenwijze eikel. Don’t be like opa.

De eigengereidheid is genetisch verklaarbaar. Mijn dwarse opa had het Spookrijden zo ongeveer uitgevonden, en zijn zoon, mijn vader, zette die lijn onbewust en waarschijnlijk onbedoeld voort. Hij voer dan wel een andere koers dan zijn vader maar de eigenwijsheid (en enkele conservatieve katholieke dogma’s) bleef. Als beenmerg, zo puur. Beiden hielden er overigens een onberispelijk uiterlijk op na. Hun dwarsheid uitte zich bepaald niet in uiterlijk vertoon. Toch waren ze meer punk dan een half veld Pinkpop-publiek bij elkaar. De koppigheid was doel, noch middel. Het wás er gewoon, vaak tegen beter weten in. Een exponent van het derde geslacht, schrijver dezes, verankerde jaren later de genetisch bepaalde eigenwijsheid in het Spookrijdersmanifest dat ooit in een schijtlollige bui tot stand kwam, maar dat stiekem meer waarheden bevat dan mij lief is.

Bijkomend probleem van halsstarrigheid is dan ook de precederende werking die het heeft op het nageslacht. De situatie is zo pijnlijk dat de rollen thans zijn omgedraaid en het mijn dochters zijn die mij confronteren met mijn kortzichtigheid. Ik word touwtyfusteringmoe van mijzelf en dan druk ik me nog eufemistisch uit. Zomaar een gesprek in Huize Hendriks:

‘Je kunt op zijn minst een keertje naar iemand luisteren pap.’

‘Nee. Ik ben al meelevend genoeg.’

‘Gelul.’

‘Juist niet. Ik heb altijd voor alles en iedereen begrip. Omdat iedereen, vanuit zijn of haar standpunt gezien, eigenlijk altijd gelijk heeft. In de kern bedoelt iedereen het goed. Dat meen ik.’

‘Ja? En? Dus?’

‘Ik leef met mensen mee. Hier thuis. Bij mijn vrienden. Je moet altijd en overal schipperen. Rekening houden met. De gulde middenweg bewandelen. Concessies doen. Is ook logisch. Zo werkt het. In de zakenwereld. In de interviews. In de levensverhalen. Maar dit keer niet. Mijn roman is míjn roman. Die is authentiek en 100% van mij.’

‘Sjezus. En als iemand nou goede tips heeft? Waarmee je je boek verbetert. Zonder bijbedoelingen.’

‘Dan is het mijn boek niet meer.’

‘Omdat?’

‘Omdat iemand ánders er dan op is gekomen. En het is míjn boek. Iedereen blijft er van af. Laat staan dat ik een cursus schrijven of iets ga volgen. Ik ben als de dood.’

‘Als de dood waarvoor?’

‘Dat ik net als zij word.’

‘Zij? Wie is zij?’

‘Zij. De rest. Ook al zou het mijn schrijven ten goede komen zijn. Ik wil het niet. Ik doe het niet.’

Ik sluit mijn computer af. Goddank zit er weer een dag op. Maar morgen komt er weer een. Ik heb niet met mijzelf te doen, maar ik moet het met mijzelf doen. Ik heb geen keuze. Dat is de noodlot van het leven. Maar Anita. Wat bezielt haar in hemelsnaam om met mij het leven te willen delen? Ze slaapt al als ik in ons bed glip.

If I were the man she wanted. I would not be the man that I am. In dat paradox begeef ik me. John Hiatt schreef het, Willie Nelson zong het.

Waarom lieve Heer? Waarom wil ik dit?

 

Zaterdag 22 augustus 2020 (9:31u)

We zitten aan het ontbijt en overleggen wat een goede locatie zou zijn voor de lancering van het boek dadelijk medio december. We maken een lijstje dat te leeg blijft. Een bedrijfsruimte? Welke? Een kantine? Welke? Een kroeg. Welke? Een restaurant. Welke?

Kut Corona. Offerte. Aanbetaling. Kosten. Baten.

Hoeveel boeken denk je te gaan verkopen? We maken nieuwe lijstjes:
Rij 1 “op zeker”.
Rij 2 “misschien”.
Rij 3 “geen idee”.
Rij 3 blijkt het langst, met rij 2 op een goede tweede plaats. Rij 1 is veruit het kortst.

Ik moet sporten. Nu. Alles moet eruit. Nieuwe energie erin.

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘Die ene giftige gedachte. Hoe ondoordacht ook. Ook die moet worden vastgelegd. Steeds weer.’


Maandag 24 augustus 2020 (20:43u)

Ik werk op de Tacx de afmattende training BRTT15 af. Vierendertig kilometer licht heuvel-op. Met een schuin oog kijk ik naar Anita. Ze leest nu de op- en aanmerkingen van de redactrice die we niet kennen. Tijdens onze zomervakantie had ze het manuscript gelezen. Op mijn beurt kocht ik tijd om de opmerkingen niet te hoeven lezen. Maar nu ben ik terug en móet ik wel. Of juist niet. Dat is de vraag. Hey Spookrijder, wat is het stil aan het front, had Mary mij volledig terecht geappt. Mijn gedachten zijn al wekenlang bij de redactrice-zonder-naam. Welk kapsel zou ze hebben? Is ze getrouwd? Houdt ze van badminton? Kijkt ze graag films? Hoe word je redactrice?

“Wanneer is de deadline?”, had ik Mary per app gevraagd.

“Zondag 30 augustus”, luidde het antwoord.

Daarna volgde de afwas. Daar gingen we weer. Voor de zoveelste keer. Ik strijdbaar. Anita zuchtend.

‘Je kunt op zijn minst de aanmerkingen lézen eigenwijs. Ik bedoel… je léést ze niet eens.’

‘Het is míjn verhaal.’

‘We houden er over op.’

‘Ook goed.’

Nu volgt een minuutje zwijgstront. Anita wast af. Ik droog af. Door de speakers klinkt de stem van Justin Townes Earle die vandaag op 38 jarige leeftijd om het leven is gekomen. Talking to Myself is het allerlaatste nummer dat hij opnam. “I rarely go out, and when I go I always hope I don’t see anyone I know…” Het wordt steeds gezelliger. Justin schiet met scherp.

‘En als ík ze nou eens lees. Die opmerkingen. Dan geef ik aan jou door of je er iets mee kunt of niet.’

‘…’

‘Hallo?’

‘Ja ik denk na.’

‘Oh ok.’

En zodoende zit Anita nu achter mijn computer en laat ik mij in dezelfde kamer afbeulen door de Tacx. Ik kom adem tekort. The Patient Ferris Wheel van Gaslight Anthem dreunt door mijn oordopjes.  De punk voedt de adrenaline in mijn bloed dat door mijn aderen pompt alsof het de laatste dag is. Het zweet gutst uit mijn slapen en loopt in riviertjes langs mijn bovenlijf, bovenarmen en polsen om op de zwarte ondermat plasvormig uit te komen.

En Anita leest. De bureaulamp belicht haar gezicht half. Ik focus op de bekende frons tussen haar wenkbrauwen. Ze ziet niet dat ik haar bekijk. Als een stalker. Het heeft alles weg van die pijnlijke scene uit de komedie Funny Farm (1988) waarin romanschrijver Andy Farmer (Chevy Chase) de reacties van het gezicht van zijn echtgenote Elizabeth (Madolyn Smith) leest terwijl zij, op haar beurt, zijn manuscript leest. Lacht zij wel daar waar zij móet lachen?

 

 

Zo bekijk ik al boerend-proestend-fietsend het lezende gezicht-met-frons van Anita. Wat valt af te lezen van haar gezicht? Ziet ze dat ik haar bespied? Snijden de opmerkingen van de redactrice-zonder-naam hout? Of krijgen ze mij op de kast? En hoe gaat Anita het communiceren aan haar bokkige echtgenoot. Maakte ze op 17 augustus 1991 de juiste keuze door voor hem te vallen? Hij valt nu haast van zijn fiets. Het is onverantwoord hoe hij de frustraties op zijn Tacx te lijf gaat, maar ze kan hem niet corrigeren nu. Niet nu. Als hij zo’n bui heeft.

Thinkin’ about what my mother once said | Maybe I should call me an ambulance gilt Brian Fallon, frontman van de Gaslight, door mijn oortjes. Ik kots haast op mijn fiets. Het moet dieper dan diep. Het is míjn boek. Het is míjn boek. Het is míjn boek. Míjn boek. Míjn boek. Míjn boek. Míjn boek. Míjn boek. Míjn boek. Míjn boek…

 

Maandag 24 augustus 2020 (21:28u)

‘Dus dát was het?’

‘Ja.’

‘Meer niet?’

‘Nee. Meer niet. Hier en daar een hoofdletter. Of een datum die misschien niet klopte. Zie je nou. Geef het nu eens een kans. Geef jezelf eens een kans. Wees nou eens niet zo hard voor jezelf.’

‘Je hebt gelijk’, antwoord ik. Maar ik denk wat anders. Ik ga met vragen naar bed.

Waar is de voorpret gebleven? En nog belangrijker: hoe krijg ik het weer terug?

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘”Een foto zegt meer dan duizend woorden.” Dat zeggen ze steeds. Maar dat is toch helemaal niet aardig voor mensen die schrijven, mama?’

 

Vrijdag 28 augustus 2020 (10:28u)  

[10:28, 28-08-2020] Marco Hendriks: GM Mary. Ik heb vandaag gereserveerd om de geredigeerde tekst door te nemen

[10:29, 28-08-2020] Marco Hendriks: Ik ben niet erg sterk in de “technische” verwerking van correcties/opmerkingen in Word

[10:29, 28-08-2020] Marco Hendriks: Dus graag vooraf eventjes overleg wat ik nu precies moet doen (en wat juist niet).

 

Ik heb het Mary de laatste tijd niet makkelijk gemaakt. Toch was ze al die tijd niet van haar stuk te brengen. Ze bleef rustig en vriendelijk reageren op mijn nukkige en vooral ontwijkende gedrag. Had ik maar een tiende van haar geduld. Ik kan de laatste tijd niet erg goed opschieten met mijzelf. De voorpret was verdwenen, ik raakte steeds verder van de Jongensdroom en moe(s)t terug naar de bron.

Vreemd genoeg vormde twitteraccount @Bumslogic een kantelpunt. Het was een antwoord op de tweet van de Bruce Springsteenfansite @SpringNuts_ waarin gevraagd werd naar de favoriete personage uit het oeuvre van De Baas.

 

 

Natuurlijk. Maar waarom had ik in hemelsnaam @Bumslogic nodig om die conclusie te trekken? Ik bedoel… Mary ís een prachtige naam. Dat wist ik al langer. Daarna besloot ik dat ík nu aan zet was. Aan het werk! Niet zozeer aan mijn roman, maar aan het eerherstel van Mary. Dat verdient ze.

 

Vrijdag 28 augustus 2020 (10:56u)

Ik lig altijd in de weer met die kloten programmatuur waarmee Word opmerkingen verwerkt. Bij mij verschijnen ze nooit, en áls ze verschijnen krijg ik ze of niet weg of ik krijg ze niet gecorrigeerd. Het is altijd een wirwar van gekleurde bubbels, pijltjes en stippellijnen.

Maar nu, na een half uurtje appen met Mary, kan ik eindelijk aan de slag. Weer bleef ze vriendelijk en kalm.

Besteedt zij aan iedere auteur zoveel tijd? En hebben die ook van die achterlijke vragen?

 

Vrijdag 28 augustus 2020 (10:58u)

We zijn het erover eens. Ik mag van Mary alle kleinere correcties zoals aanhalingstekens, komma’s en dubbele spaties overslaan.

Ze heet trouwens Beneden Medion, de redactrice-zonder-naam. Althans, die naam verschijnt in de rechterkolom naast de tekst van mijn roman.

 

Vrijdag 28 augustus 2020 (12:36u)

Ik ben door alle opmerkingen van Beneden Medion heen. Er bleef niet veel over van mijn aanvankelijke chagrijn. Beneden Medion had uitstekend werk geleverd. Wat een hels karwei. Mary had me uitgelegd dat Beneden Medion de gewoonte heeft om een manuscript een eerste keer “als lezer” te lezen om een idee van het verhaal, het plot en de karakters te krijgen om vervolgens de tekst door te spitten op zoek naar grammaticale fouten, vormfouten, onvolkomenheden, inconsequenties en/of feitelijke onjuistheden.

Het was in welgeteld drie gevallen beschamend waar Beneden Medion mee kwam. Beschamend mijnerzijds welteverstaan. Slordigheden die aan mijn aandacht waren ontsnapt, ondanks mijn 719 herlezingen, ondanks de grondige redacties van achtereenvolgens Anita, Estelle, mijn moeder en mijn zus.

Ik bedenk me ineens dat nog geen man het boek heeft gelezen, want Beneden Medion is, anders dan de naam wellicht doet vermoeden, een vrouw.

 

Ergens, ooit, eens, toen

“Hé poppelepee
Ga je nog mee
naar Feyenoord-VVV”

 


Vrijdag 4 september 2020 (9:54u)

We proberen het eens te worden over de bio. “Die is nodig. Voor de achterkant van het boek. Voor mensen die je nog niet kennen.”

Welke onbekende gaat in hemelsnaam mijn boek kopen? Die vraag stelde ik haar niet. Wat moet erin? Die vraag stelde ik haar wel. Ik had ondertussen gespiekt hoe zo’n bio eruit ziet op de achterkant van een paar boeken uit mijn boekenkast. Slecht nieuws voor mijn zelfvertrouwen. Alle auteurs hadden een oeuvre waar een paard de hik van krijgt. Boeken, columns, essays.

De synopsis was eerder deze week ook zo goed als klaar. Die is belangrijk. In een paar zinnen moet je uitleggen waar je boek over gaat, zonder dat je íets van het plot verraadt. ‘Daar gaan we mee naar buiten’, zei Mary.

Daarna draaide mijn maag twee keer om.

 

Vrijdag 4 september 2020 (11:01u)

Als puber kon ik geen kant op met mijn schrijverij. In de zomer van 1985 had ik de muziek van Bob Dylan leren kennen. Ik hoorde iets in zijn stem dat mij aantrok. Rebellie. Weerstand. Oppositie. Zo’n rebel was ik zelf overigens niet, dat was mijn broer, maar ik moet toen al iets in zijn non-conformistische autonome denken hebben herkend. In de zomer van 1985 verklaarde ik Bob heilig. Ik deed net alsof ik zijn teksten begreep. Ik kreeg een boek met al zijn liedteksten. Dat boek werd mijn bijbel. Ik leerde alle teksten uit mijn hoofd en probeerde op mijn gitaar te zingen als Dylan.

De zeggingskracht van de poëzie trok me, maar als vijftienjarige had ik totaal geen notie van de richting, noch van de impact ervan. Ik was verslaafd, maar wist niet waaraan.

 

Op verjaardagen liet ik me à la Wedden Dat van Jos Brink ondervragen:

“…You hand in your ticket
and you go watch the geek…”

Waarop ik overenthousiast brulde: BALLAD OF A THIN MAN! ALBUM HIGHWAY 61 REVISITED! 1965! VIJFDE NUMMER, KANT A!

Mijn klasgenoten waren new wave, pop of softrock. Mijn maag draaide om van de geföhnde muziek van Culture Club, Wham! en Aha. En schijtlollig Nederland maar lachen om de stofzuigende Freddy Mercury, terwijl ik vond dat muziek met van alles behalve humor te maken had.

Mijn beste (school)vriend Peter was fan van metal muziek. Hij rookte shag en dronk bier. Ik wielrende en voetbalde met meer ambitie dan mijn talent toestond. Zijn favorieten artiesten waren Iron Maiden, Saxon en Judas Priest. Alleen de liefde voor AC/DC deelden wij. Hij was linkser dan links (toen), ik had een probleem met zweetvoeten (toen en nog). Vanaf ongeveer atheneum-4 schreven we tijdens de les in onze schriften gedichtjes om de tijd te doden. Het waren vooral teksten voor grafstenen van Bekende Nederlanders waar we een bloedhekel aan hadden. Peter tekende cartoonachtige begraafplaatsen waarop tal van BN-ers ter aarde werden besteld. We fileerden vooral de pretentieuze medemens en maakten korte metten met alles en iedereen die het grote L-woord (literatuur) in zijn of haar elitaire mondje nam. Het was vrij schieten. Acteurs, auteurs, leraren, betweters, politici, praatprogrammavullende nobodies, likkende kontenkruipers… ze gingen allemaal aan onze schandpaal. Het gedicht…

Hé poppelepee
ga je nog mee
naar Feyenoord-VVV

 

…werd onze klassieker. Het haalde de eindstreep want wij citeren het vandaag de dag nóg. In een melige bui. Na te veel bier.

Op het Montfortcollege kregen we Nederlands van mijnheer Steijn, een kopie van Fred Flinstone. Legendarisch waren zijn tirades tegen de Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck (note to self: schrijf nooit als Ward Ruyselinck want je wordt afgemaakt door alle leraren Nederlands in heel Nederland). Ik zat met Peter rechts halverwege in de klas. Er stonden ronde pilaren in het lokaal van mijnheer Steijn ter ondersteuning van de erboven gelegen gymzaal. Als mijnheer Steijn een stilte liet vallen hoorde je het gedribbel van basketballen. Op de grijze pilaar waarachter wij zaten hing een poster van een gedicht van J.C. Bloem dat mij in de greep hield:

 

De Nachtegalen

Ik heb van ‘t leven vrijwel niets verwacht,
‘t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

 

In 1988 haalde ik mijn vwo-diploma. Ik kreeg de poster mee van mijnheer Steijn. Jarenlang hing het gedicht van Bloem in mijn kamer tussen mijn Feyenoordprullaria en posters van Kevin Keegan, Bennie Wijnstekers, Bruce Springsteen, Joop Zoetemelk en een elftalposter van Les Bleus. In plaats van Zingen de onsterfelijke nachtegalen vulde ik zingt Bob Dylan of zingt John Hiatt in. Het rijmde niet, maar paste wel.

Ik viel in slaap met A Hard Rain’s a-gonna Fall van Bob Dylan op mijn cassetterecorder die ik vlak bij mijn oren hield – met name het laatste zinnetje van de uitvoering van het concert van Bangladesh (1971) herhaalde ik iedere avond minimaal twintig keer. Verklaren kon ik het allemaal niet. Maar ik wist één ding wel: ik zou als singersongwriter door het leven gaan. Mijn teksten (die niemand mocht lezen) waren immers minimaal zo goed als die van Bob Dylan.

 

 

 

Vrijdag 4 september 2020 (12:11u)

Mijn speciaalstudie literatuur Nederlands voor mijn vwo diploma ging over de veronderstelde symbiose tussen Simon Carmiggelt en Kees van Kooten. “Je hebt wel wat weg van Van Kooten”, had mijnheer Steijn gezegd. Dit betekende een enorme boost voor mijn schrijfambities. Achteraf zal hij natuurlijk hebben gedoeld op de cabaretkant van mijn grote voorbeeld Kees, mijnheer Steijn had immers nog nooit iets van mij gelezen en in de klas stond ik bekend als een cabaretier in spe. Daar ging ik toen gemakshalve aan voorbij. Ik had slechts één doel: schrijvend journalist worden. Zo eentje met een slechte adem, een wild sociaal leven, ondefinieerbaar haar en een volwassen alcoholprobleem.

Vijf jaar later, we schrijven zondag 14 maart 1993, werd alle schrijfromantiek onder mijn voeten weggemaaid door een uitzending van Keek op de Week. In Brieven aan Reve was het personage van de niet-erkende auteur Ton van Riemsdijk zo akelig goed neergezet door Van Kooten dat ik zeker wist dat ik nóóit, maar dan ook echt nóóit, een debuutroman zou uitbrengen. De scene is even pijnlijk als eerlijk als ontroerend.

Zal ik Mary vragen of ik Ton van Riemsdijk als pseudoniem zou mogen gebruiken?

 

Vrijdag 4 september 2020 (12:35u)

Een appje van Mary.

We zijn het definitief eens over de synopsis. En over de Bio. En over de omslag.

“We” zijn Mary, Beneden Medion en ik, Ton van Riemsdijk.

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘Ik wil wel, maar ik wil het niet.’


Woensdag 9 september 2020 (21:10u)

De uitzending bij Omroep Vlaardingen zit erop. Op uitnodiging van DJ Leo Kattestaart mocht ik een dik uur mijn favoriete plaatjes draaien. Ik verklapte Leo en de luisteraars dat één van de zestien liedjes verwees naar mijn debuutroman. Dit had ik eerst aan Mary gevraagd – haar “ja natuurlijk doen! Juist leuk!” stemde mij gerust.

‘Je gaat ons toch wél vertellen welk lied het is?’, daagde Leo mij uit. Eén keer tijdens de uitzending en één keer buiten de uitzending om. Ik lachte beide pogingen als een boer met kiespijn weg. De koptelefoon om mijn strot voelde als een lasso. Leo was de cowboy, ik de indiaan.

‘Kom je nog een keer terug Marco, om over je debuutroman te praten?’, had Leo gevraagd.

‘Heel graag Leo, tof!’, antwoordde ik. In de auto van Vlaardingen naar Rotterdam bonkte mijn hoofd. Het wordt allemaal een beetje te echt.

 

Woensdag 23 september 2020 (11:00u)

Ik heb de organisatie van de avond van boekpublicatie uit handen gegeven. Dat moe(s)t een feestje worden. Ik houd mijn hart en lever vast. De meiden nemen het over.

De zoektocht naar een goede locatie, de gastenlijst, de richtlijnen van het RIVM. Het is niet te doen in combinatie met redactiewerk van je eigen manuscript. Deze versie gaat naar Mary en Beneden Medion – zij doen nog één keer een plas erover en dan mag ik alles een allerlaatste keer doornemen. Daarna is het over. Schluß. Dan gaat het script letterlijk, woord voor woord, met iedere punt en komma naar de drukker en is er niets meer aan te doen. Dan vertrekt mijn boek de vrije wereld in. In spreekwoordelijke zin uiteraard, want de vrije wereld zal zich voor mijn roman beperken tot mijn familie en vriendenkring en dat is helemaal oké.

Het is overigens niet alleen de volle concentratie die de redactie van mijn verhaal momenteel vereist (en verdient). Het voelde ook buitengewoon ongemakkelijk om mijn eigen boek in de schijnwerpers te zetten.

Anita, Fabienne en Estelle zijn nu, momenteel, as we speak, iets over elven, bij de locatie die we voor ogen hebben voor de boekpresentatie. Ze bellen me niet. Ze appen me niet. Het is oorverdovend stil.

Kutzooi.

 

Woensdag 23 september 2020 (12:24u)

De dames H. (zoals wijlen Lex ze altijd noemde, God hebbe zijn ziel en lever) sturen me alleen een fucking foto van de fucking lunch. Die lunch interesseert mij geen reet. Ik wil feiten. Hoeveel mensen mogen we herbergen. En hoe snel kan ik aan de rode wijn als het boek eenmaal gepresenteerd is?

Ik appte nog wel een fotootje terug van mijn drie boterhammetjes (twee met humus, kipfilet en sambal en eentje met appelstroop). Als bewijsmateriaal. Mijn meiden maken zich zorgen om mijn eetpatroon. Ik wil inderdaad nog wel eens een maaltijd overslaan als ik alleen ben. Geen bewuste keuze overigens, ik dénk er gewoon niet aan.

Estelle heeft de leiding van de drie. Organisatietalentje hoor. Die kan je gerust op een boodschap sturen. Werkt van A tot Z. Laat niets aan het toeval over. Mega secuur en alles op topsnelheid. Ultra pragmatisch ingesteld ook. Net als haar vader. Alles in rijtjes. Genummerd. Overzichtelijk. Geen blablabla. Fabienne is van de creatieve ideeën. De indeling van de ruimte, de invulling van de avond. Samen met haar zus. Ze inspireren elkaar, die twee. Anita is van de uitvoering. Je vraagt iets en halverwege de vraag is ze al onderweg. Werkt zich de pleuris, mijn duizendpoot die zich nergens te goed voor voelt. Ondertussen probeer ik krampachtig mijn wensenlijstje (sfeer, muziek) erdoorheen te drukken.

Ik: ‘De avond mag níet over mij gaan.’

De meiden: ‘Pap, jíj bent de schrijver. Waar slaat dít nou weer op?’

(werkelijke vaststelling: wat ben je toch een lul)

Anita: ‘Wat heeft ie nu weer?’

De meiden: ‘Pap wil bij de boekpublicatie niet in de schijnwerpers staan.’

Anita: ‘Waarom niet?’

Ik: ‘Dit alles doen we maar één keer. Het zal bij mijn debuutroman blijven. Niemand heeft behoefte aan een tweede boek van mij. Het gaat dus om de gasten. Die mijn boek willen kopen. Da’s al bijzonder genoeg. Ik snap er geen reet van dát ze het überhaupt willen kopen. That’s it. Geen poeha.’

De meiden: ‘Zo is het niet meer leuk.’

(werkelijke vaststelling: wat is pap toch een lul)

Anita: ‘Bij jou is nooit iets écht leuk, Mar. Er is altijd wel iets.’

De meiden (oprecht): ‘Je bent toch wel trots?’

Ik (even oprecht): ‘Ik? Trots? Waaróp?’

De meiden: ‘Doe niet zo lullig pap. Wij hebben ons hele leven van jou geleerd dat we trots móesten zijn, weet je nog na een korfbalwedstrijd of na een examen? We móesten onszelf belonen, anders had het geen zin zei je steeds.’

Ik (biddend dat deze ondervraging snel ten einde komt, want ik sta schaakmat): ‘Da’s anders.’

Anita: ‘Waarom ben je toch steeds zo hard voor jezelf?’

Omdat ik mijzelf gruwelijk in de weg zit. Story of my life.

 

 

Vrijdag 25 september 2020 (8:57u)

Ik ben al tien dagen aan het redigeren. De spanning stijgt. De onschuld van ooit verdwijnt steeds meer op de achtergrond.

Het verhaal zat al jaren geleden in mijn hoofd. Ik meen 2014, 2015. Zó lang broeide het. Waar zo’n idee vandaan komt? God mag het weten. Het ís er ineens. “The air is full of melodies, you just got to pick ‘em out”, zei countrylegende Willie Nelson ooit, terugkijkend op een carrière van 70 jaar.

Het begint allemaal onschuldig. Lachen. Veilig achter je laptoppie. Niemand die je wat maakt. Je enthousiasmeert jezelf. Er is toch niemand die het leest. Hooguit je vrouw, je grootste fan die je tijdens de afwas wijst op de onsmakelijkheden die jouw brein zo nu en dan produceert.

Nu ik in de eindfase zit denk ik regelmatig terug aan die beginfase en aan al die (veelal) nachtelijke uren die ik eraan spendeerde. God weet hoe hard ik aan de roman werkte, met geen seconde, zwerend op het graf van mijn vader, de intentie -laat staan de hoop- om ermee door te breken.

Mijn roman is ontstaan uit liefde voor taal, mijn taal, en meer is het niet.

‘Zullen we de lokale pers benaderen pap?’

‘Nee.’

 

Vrijdag 25 september 2020 (niet heel veel later, precieze tijdstip onbekend)

Het liefst zou ik het boek in de brievenbus proppen aan die enkeling die interesse heeft. Geen misplaatste bescheidenheid, maar écht niet snappen.

Twee vragen blijven maar door mijn kop spoken: waarom zou men mijn boek willen lezen (sterker nog, er geld voor willen betalen terwijl ze nog geen letter hebben gelezen) en de belangrijkste vraag: hoe houdt Anita het bij me uit?

 

Vrijdag 25 september 2020 (12:13u)

Ik ben vrijwillig uit de groepsapp gestapt die de ladies (Mary, Anita, Fabienne en Estelle) in het leven hadden geroepen ter voorbereiding op de boekpresentatie. Het werd me allemaal wat te vrolijk. De groepsapp had de naam Feestcommissie gekregen. Wat is er mis met ordinair Zuipfestijn?

Wanneer wordt het duidelijk dat wij (mijn boek en ik) niet in het zonnetje willen worden gezet?

Als Ton van Riemsdijk zal ik in de rode wijn kopje onder gaan… als vleesgeworden disclaimer.

 

Ergens, ooit, eens, toen

‘I’ll say this
I don’t give a damn about your dreams.”

– Bob Dylan

 

Donderdag 8 oktober 2020 (18:23u)

Fabienne en Jeremy komen eten. Hierna gaan we sporten. Bij Stoker. Energie tanken door zweet op te offeren. De pijngrens moet worden opgerekt.

‘Míj mogen ze aanpakken als ze het boek maar met rust laten. Ik wil mijn boek beschermen. Mijn boek heeft niets misdaan.’

‘Wat bedoel je pap?’

Stilte aan tafel.

‘Mijn boek is mijn kind.’

Wil je voorzichtig zijn, zingt Alex in mijn hoofd. Iedere dag is een dag dichterbij de publicatie van mijn debuutroman en iedere dag zing Alex een beetje doordringender. Of de mensen voorzichtig willen zijn. Voor mijn kinderen.

 

(Ergens eerder die week)

Het was Alex die mij meermaals had gezegd dat er een boek in mij zat. Het klonk zelfs een beetje geïrriteerd de laatste keer toen hij dat zei. Hoe lang ging die Rotterdammer die oeverloos lang kon lullen over geen woorden maar daden nu eens over tot daden met woorden.

‘Er zit een boek in jou.’

Toen hij het voor de eerste keer zei, ik vermoed een kleine tien jaar geleden, klonken de woorden als het Requiem van Mozart. De hemel brak open. Ik had Gods hand in Alex’ woorden herkend, want alleen God weet hoe hoog ik Alex heb zitten. Om zijn intensiteit als artiest, om zijn puurheid als dichter, maar vooral om zijn hele zijn als (zo) onafhankelijk (mogelijk) denkend en handelend mens.

‘Er zit een boek in jou.’

Mijn verhaal ontstond een paar jaar geleden in mijn hoofd. Ik voelde me gesterkt door de woorden van Alex. Tegenover mijn inmiddels welbekende eigenwijsheid staat een grenzeloze bewondering voor het prototype homo sapiens dat mij iedere seconde van de dag inspireert. Alex staat in mijn top 10. Op één staat Jezus dus de lat ligt hoog.

‘Er zit een boek in jou.’

 

Vrijdag 9 oktober 2020 (21:23u)

R. stuurt een laatste afsluitend appje. We zijn met mooie dingen bezig, althans het moeten mooie dingen wórden. Op 1 november 2020 wordt de titel en de synopsis wereldkundig gemaakt. Dat voelt als een babyshower. Zo’n vreemdsoortige voorsorteerparty waarbij in feite alleen de voorpret gevierd wordt. Vanaf dat moment kunnen mensen voor-intekenen of pre-orderen of hoe het ook moge heten. Met R. bedenk ik manieren over hoe of wat. Natuurlijk helpen mijn meiden erbij, want al mijn vorige keuzes werden stuk voor stuk rigoureus van de hand gedaan.

‘Niet grappig pap.’

‘Slaat echt nergens op pap.’

‘Zo is er niets meer aan pap.’

‘Je denkt dat je leuk bent pap.’

Mijn kinderen zijn het downgraden van mijzelf en van het boek, mijn kind, hun broer of zus, he-le-maal zat.

Aanstaande zondag, we schrijven 11 oktober, moet ik de allerlaatste versie van Beneden Medion en Mary terugmailen met mijn laatste correcties, suggesties, toevoegingen en commentaren op de suggesties van Beneden Medion. Daarna gaat mijn kind de wereld in en kan ik hem niet meer beschermen.

De tijd dringt.

 

Vrijdag 9 oktober 2020 (23:01u)

Ik heb de hele avond het manuscript doorgelezen en kwam tot en met pagina 79. Anita zat binnen met kleine oogjes tv te kijken. In de regel gaat ze pas naar bed als ik de handdoek gooi. Ze blijft solidair, ook al is het op afstand (zij in de woonkamer, ik in de werkkamer).

Het doorlezen van het manuscript is ontzettend intensief. Enerzijds moet je dóórlezen om in de vaart van het hele verhaal te blijven, omwille van de context van het totaalverhaal. Anderzijds ben je soms gedwongen bij een bepaalde alinea, passage, zinsnede, woord of zelfs leesteken te stoppen om na te denken. Dat zijn de momenten dat ik steeds weer aan mijn wijlen vader moet denken. Hij ergerde zich kapot aan Harry Mulisch die hij een aansteller eerste klas noemde. Mijn pragmatisch denkende vader hield niet van romans, hij hield van feiten. Hij zat, zo zei hij letterlijk, niet op de verzinsels of meningen van derden te wachten. Hij heeft in heel zijn leven bij mijn weten niet één column gelezen.

Ook nu voel ik me een aansteller, omdat mijn vader het zó vaak zei als Mulisch op tv oreerde over het belang van één woord, één zin, één komma. Dat moet mijn afkeer verklaren van het woord literatuur. Literatuur mijn reet.

Ik durf nu de huiskamer niet in, want er is wéér een avond voorbij gegaan dat ik niet thuis gaf.

‘Dit is de laatste keer. Zondag moet Mary de laatste versie hebben. Daarna gaat het kind naar de drukker.’

‘Geeft toch niet. Wijntje?’

We besluiten één wijntje te drinken. Ik lees haar de laatste appjes voor die R. mij stuurde. Hij leest nu het manuscript door ter voorbereiding óp. Mary had hiervoor haar goedkeuring gegeven.

‘Wat leuk voor je’, zei Anita, ‘dat Roel zo enthousiast is.’

‘Aniet, zolang hij nog niet bij het eind is, heet hij R. en niet Roel. En R. is te complimenteus en hij nog niet bij het eind. Hij is tot pagina 99 gekomen.’

‘Hoe voel je je?’, had Anita mij gevraagd.

‘Zullen ze voorzichtig zijn?’, antwoordde ik haar.

 

 

Kerst 1999, voorjaar 2000

Mijn schrijverij lag stil. Min of meer.

Ik had het te druk gehad met verliefd worden, gitaarspelen, kindjes maken, nestje bouwen en terloops een loopbaan bewandelen die mij meer voldoening gaf dan ik aanvankelijk wilde toegeven. Ik kwam terecht in een wilde wereld van dure aftershave, lange camel jassen, sigaretten, whiskybars, snelle auto’s, verre reizen, vloeken, onderhandelen, bier, losse stropdassen, merkschoenen, foute clubs en heel heel hard werken.

Kortom de metaalhandel.

Rond de kerst van 1999 gingen we naar New York City. Lex had het bedoeld als dank voor mijn ijver op het werk. Woelige jaren lagen achter ons. Ik besloot een film te maken die ik als dank-terug aan Lex zou geven. Brandweersirenes over 5th Avenue. Smeulende metroroosters. Swingdansende gospelzingende Salvation Army soldaten in Central Park. Dronken worden in een bar op Broadway. Jungleland van Springsteen uit de jukebox en Lex flatout in de toiletruimtes. Koffiekater wegdrinken in Greenwhich Village. Pacino en de Niro nadoen in Little Italy (ik net alsof, Lex levensecht). Op de dag dat wij terugvlogen, zondag 9 december, overleed de bassist van The Band Ricky Danko in New York City.

Eenmaal thuisgekomen bleek de film mislukt. Het was een slapstick geworden – een Charlie Chaplinfilm kwam nog het meest in de buurt.

Dit technische mankement betekende echter wel de spreekwoordelijke opening van mijn schrijfkamer. (Niet helemaal waar dit. Ik bleef al die tijd weldegelijk schrijven. In schriftjes. Kladjes. In de auto. Op weg van Rotterdam naar Eindhoven. En vice versa. Effe snel tijdens een file. En thuis. Op de PC. Mijn vingers ratelden. Effe snel. Een hersenspinsel. Een anekdote. Effe snel. De beschrijving van iemand die net nog in de auto naast me in zijn neus peuterde).

Ik schreef, schreef en schreef en ik liet de New York reis als in een film afspelen. De achterkant van mijn hersenpan was het filmdoek. Ik schreef, schreef en schreef. Het resulteerde in het boek Een Laatste Wals (refererend aan het legendarische rockconcert The Last Waltz van The Band), waarbij waarbij het dansen, de wals, als metafoor voor mijn schrijverschap diende. De letterlijke vertaling De Laatste Wals had doen vermoeden dat mijn schrijverij bij dit ene verhaal zou blijven, Een Laatste Wals hield de deur op een kiertje.

Ik bracht Een Laatste Wals in eigen beheer uit. Mijn vriend Rob had voor prachtig dik papier gezorgd. Voor dubbelzijdig printen is een bètabrein nodig, mijn toenmalige zwager Peter hielp me erbij. Als ik het zelf had moeten doen, had de lezer het boek na iedere gelezen pagina een halve slag moeten draaien. Op zeker. In de Gouden Gids vond ik een adres van een ouderwetse boekbinder. Dat beeld sprak mij wel aan. De boekbinder woonde in Charlois en bleek een gepensioneerde buschauffeur die mij op zo’n typisch Rotterdamse (“wat kommie doen?”) manier bejegende. “Zou ik anders misschien even binnen mogen komen, dan kan ik het wat beter uitleggen”, probeerde ik zijn argwanende ogen gerust te stellen, toen ik begon over de mislukte film over de New York reis. “Nee”, antwoordde hij.

Kortom, helemaal goed.

In Een Laatste Wals wisselde ik de beelden en scenes uit New York af met beschrijvingen van ongestructureerde hallucinaties. Ik was zelf erg content over die mix, maar het duurde niet lang alvorens de hallucinaties mij in boze dromen kwamen achtervolgen. Misschien had ik ze te levensecht, te gedetailleerd vooral, beschreven. Mijn coming out als schrijver, een moment dat ik in eerste instantie glorieus had beleefd, kwam als een boemerang terug en trof doel in mijn gezicht.

Voor het eerst in mijn leven keerden de woorden zich tegen mij.

– “En welleke kleur mot de kaft zijn?”
– “Bordeauxrood vind ik wel mooi mijnheer.”
– “Oh ja jôh? Mottie bordorood zijn jôh?”

 

Vrijdag 16 oktober 2020 (12:05u)

Mary heeft me een 3D afbeelding van de voorkant het boek geappt. Het is net echt.

 

Vrijdag 16 oktober 2020 (12:06u)

Mary heeft me een 3D afbeelding van de achterkant van het boek geappt. Het is net echt.

 

Vrijdag 16 oktober 2020 (12:10u)

Mary heeft me een 3D afbeelding van de voor- én achterkant van het boek in één afbeelding geappt. Het is net echt.

 

Vrijdag 16 oktober 2020 (12:27u)

Mary heeft me een 3D afbeelding van mijn profielfoto en van de voorkant van het boek in één afbeelding geappt. Het is net echt.

 

Vrijdag 16 oktober 2020 (12:27u)

‘Sjeuzus’, app ik Mary terug.

 

Zondag 18 oktober 2020 (22:29u)

Het zit erop. We zijn bekaf. We zijn Roel en ik. Wat een schema hebben we dit weekend achter de rug. Maar kaken op elkaar. Blijven glimlachen en net doen alsof je niet moe bent.

 

Dinsdag 20 oktober 2020 (14:00u)

Een appje van Mary.

We gaan niet zondag 1 november, maar vrijdag 30 oktober digitaal lanceren. Om 18:00u. Of ik het daarmee eens ben.

De lancering is dus met twee dagen naar voren gehaald. Alsof de NASA Neil Armstrong tussen de soep en de aardappels mededeelde dat hij niet 23 maar 21 juli 1969 zou landen op de maan.

Nog 10 dagen te gaan. 10. Fucking 10 dagen! Dan wordt de titel van het boek bekend gemaakt. En de synopsis. En de omslag van het boek. De boekbinder uit Charlois heet anno 2020 Mary van Duuren en ze komt uit Etten-Leur. Over 10 dagen kunnen de mensen online al voor-intekenen of pre-orderen. Dat woord bestaat niet eens, maar het kán allemaal met Mary. Nog 10 dagen.

Ik moet Roel onmiddellijk appen.

Slik.

 

-